Canticum Canticorum 2
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Ego flos campi, et lilium convallium.
1Maar ik ben een crocus van Sjaron, Een lelie der dalen!
2Sponsus Sicut lilium inter spinas, sic amica mea inter filias.
2Als een lelie tussen de doornen, Is mijn liefste onder de meisjes.
3Sponsa Sicut malus inter ligna silvarum, sic dilectus meus inter filios. Sub umbra illius quem desideraveram sedi, et fructus ejus dulcis gutturi meo.
3Als een appelboom tussen de bomen in het woud, Is mijn beminde onder de jongemannen; Ik smacht er naar, in zijn schaduw te zitten, Zijn vrucht is zoet voor mijn mond.
4Introduxit me in cellam vinariam; ordinavit in me caritatem.
4Brengt mij naar het huis van de wijn, Ontplooit over mij de standaard der liefde;
5Fulcite me floribus, stipate me malis, quia amore langueo.
5Verkwikt mij met druivenkoeken, Versterkt mij met appels. Want ik ben krank, Ben krank van liefde!
6Læva ejus sub capite meo, et dextera illius amplexabitur me.
6Zijn linker moet rusten onder mijn hoofd, Zijn rechter houde mij omstrengeld!
7Sponsus Adjuro vos, filiæ Jerusalem, per capreas cervosque camporum, ne suscitetis, neque evigilare faciatis dilectam, quoadusque ipsa velit.
7Ik bezweer u, Jerusalems dochters, Bij de gazellen en de hinden in het veld: Wekt en lokt de liefde niet, Voordat het haar lust! …
8Sponsa Vox dilecti mei; ecce iste venit, saliens in montibus, transiliens colles.
8Maar hoor, mijn beminde! Zie, hij komt! Hij springt over de bergen, Hij huppelt over de heuvels.
9Similis est dilectus meus capreæ, hinnuloque cervorum. En ipse stat post parietem nostrum, respiciens per fenestras, prospiciens per cancellos.
9Mijn beminde gelijkt een gazel, Of het jong van een hert. Zie, daar staat hij reeds Achter onze muur. Hij staart door het venster, En blikt door de tralies;
10En dilectus meus loquitur mihi. Sponsus Surge, propera, amica mea, columba mea, formosa mea, et veni:
10Mijn beminde heft aan, En spreekt tot mij! Sta op, mijn geliefde, Mijn schone, kom mede!
11jam enim hiems transiit; imber abiit, et recessit.
11Want zie, de winter is voorbij, De regen is voorgoed verdwenen.
12Flores apparuerunt in terra nostra; tempus putationis advenit: vox turturis audita est in terra nostra;
12De bloemen prijken op het land, Men hoort de duiven al kirren;
13ficus protulit grossos suos; vineæ florentes dederunt odorem suum. Surge, amica mea, speciosa mea, et veni:
13De vijg kleurt reeds zijn jonge vrucht, De wingerds bloeien en geuren. Sta op, mijn geliefde, Mijn schone, kom mede;
14columba mea, in foraminibus petræ, in caverna maceriæ, ostende mihi faciem tuam, sonet vox tua in auribus meis: vox enim tua dulcis, et facies tua decora.
14Mijn duifje in de spleten der rotsen, In de holen der klippen! Laat mij zien uw gelaat, Laat mij horen uw stem; Want uw stem is zo zoet, Uw gelaat is zo lief.
15Sponsa Capite nobis vulpes parvulas quæ demoliuntur vineas: nam vinea nostra floruit.
15Vangt ons de jakhalzen De kleine vossen, Die de tuinen vernielen, Ofschoon onze wijngaard al bloeit.
16Dilectus meus mihi, et ego illi, qui pascitur inter lilia,
16Want mijn beminde is mijn, en ik van hem: Hij is het, die in de leliën weidt,
17donec aspiret dies, et inclinentur umbræ. Revertere; similis esto, dilecte mi, capreæ, hinnuloque cervorum super montes Bether.]
17Totdat de dag is afgekoeld En de schaduwen vlieden! Blijf hier, mijn beminde, En doe zoals de gazel Of het jong van het hert Op de balsembergen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.