Ecclesiastes 10
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1[Muscæ morientes perdunt suavitatem unguenti. Pretiosior est sapientia et gloria, parva et ad tempus stultitia.
1Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.
2Cor sapientis in dextera ejus, et cor stulti in sinistra illius.
2Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.
3Sed et in via stultus ambulans, cum ipse insipiens sit, omnes stultos æstimat.
3Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!
4Si spiritus potestatem habentis ascenderit super te, locum tuum ne demiseris, quia curatio faciet cessare peccata maxima.]
4Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.
5[Est malum quod vidi sub sole, quasi per errorem egrediens a facie principis:
5Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.
6positum stultum in dignitate sublimi, et divites sedere deorsum.
6De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;
7Vidi servos in equis, et principes ambulantes super terram quasi servos.
7Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.
8Qui fodit foveam incidet in eam, et qui dissipat sepem mordebit eum coluber.
8Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.
9Qui transfert lapides affligetur in eis, et qui scindit ligna vulnerabitur ab eis.
9Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.
10Si retusum fuerit ferrum, et hoc non ut prius, sed hebetatum fuerit, multo labore exacuetur, et post industriam sequetur sapientia.
10Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.
11Si mordeat serpens in silentio, nihil eo minus habet qui occulte detrahit.
11En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.
12Verba oris sapientis gratia, et labia insipientis præcipitabunt eum;
12Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.
13initium verborum ejus stultitia, et novissimum oris illius error pessimus.
13Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;
14Stultus verba multiplicat. Ignorat homo quid ante se fuerit; et quid post se futurum sit, quis ei poterit indicare?
14Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?
15Labor stultorum affliget eos, qui nesciunt in urbem pergere.]
15De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.
16[Væ tibi, terra, cujus rex puer est, et cujus principes mane comedunt.
16Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.
17Beata terra cujus rex nobilis est, et cujus principes vescuntur in tempore suo, ad reficiendum, et non ad luxuriam.
17Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.
18In pigritiis humiliabitur contignatio, et in infirmitate manuum perstillabit domus.
18Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.
19In risum faciunt panem et vinum ut epulentur viventes; et pecuniæ obediunt omnia.
19Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.
20In cogitatione tua regi ne detrahas, et in secreto cubiculi tui ne maledixeris diviti: quia et aves cæli portabunt vocem tuam, et qui habet pennas annuntiabit sententiam.]
20Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.