Eclesiastés
Chapter 10

Eclesiastés

Reina-Valera 1909
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Eclesiastés 10

Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1LAS moscas muertas hacen heder y dar mal olor el perfume del perfumista: así una pequeña locura, al estimado por sabiduría y honra.
1Dode vliegen verpesten welriekende balsem; Zo verliest de edelste wijsheid door een weinig dwaasheid haar roem.
2El corazón del sabio está á su mano derecha; mas el corazón del necio á su mano izquierda.
2Het hart van den wijze zit rechts, Het hart van den dwaze zit links.
3Y aun mientras va el necio por el camino, fálta le su cordura, y dice á todos, que es necio.
3Welke weg de dwaas ook gaat, zijn verstand schiet te kort; Maar van iedereen zegt hij: Wat een dwaas!
4Si el espíritu del príncipe se exaltare contra ti, no dejes tu lugar; porque la lenidad hará cesar grandes ofensas.
4Als de toorn van een vorst u bedreigt, Loop dan niet weg van uw post; Want kalmte brengt grote opwinding tot bedaren.
5Hay un mal que debajo del sol he visto, á manera de error emanado del príncipe:
5Nog een ander kwaad zag ik onder de zon: Vergissingen door vorsten begaan.
6La necedad está colocada en grandes alturas, y los ricos están sentados en lugar bajo.
6De dwaas wordt op hoge posten geplaatst, En vele aanzienlijken blijven ten achter;
7Vi siervos en caballos, y príncipes que andaban como siervos sobre la tierra.
7Dienstknechten zag ik te paard, En prinsen gingen als slaven te voet.
8El que hiciere el hoyo caerá en él; y el que aportillare el vallado, morderále la serpiente.
8Wie een kuil graaft, valt er zelf in; Wie een muur doorbreekt, wordt door een slang gebeten.
9El que mudare las piedras, trabajo tendrá en ellas: el que cortare la leña, en ella peligrará.
9Wie stenen draagt, bezeert zich er aan; Wie hout klooft, loopt gevaar, zich te wonden.
10Si se embotare el hierro, y su filo no fuere amolado, hay que añadir entonces más fuerza: empero excede la bondad de la sabiduría.
10Is het ijzer stomp geworden, En slijpt men de snede niet, Dan moet men zijn krachten verdubbelen; Zo biedt de wijsheid een voordeel.
11Muerde la serpiente cuando no está encantada, y el lenguaraz no es mejor.
11En als de slang bijt, omdat ze niet wordt bezworen, Heeft de slangenbezweerder geen nut van zijn kunde.
12Las palabras de la boca del sabio son gracia; mas los labios del necio causan su propia ruina.
12Aangenaam zijn woorden uit de mond van een wijze; Maar de lippen van een dwaas brengen hem verderf.
13El principio de las palabras de su boca es necedad; y el fin de su charla nocivo desvarío.
13Reeds het begin van zijn woorden is dwaasheid, En het einde ervan barre onzin;
14El necio multiplica palabras: no sabe hombre lo que ha de ser; ¿y quién le hará saber lo que después de él será?
14Want de dwaas verspilt vele woorden. Niemand weet, wat de toekomst brengt; Want wie kan hem zeggen, wat er later komt?
15El trabajo de los necios los fatiga; porque no saben por dónde ir á la ciudad.
15De domme slooft zich af bij zijn werk, Omdat hij niet eens de weg naar de stad kent.
16¡Ay de ti, tierra, cuando tu rey es muchacho, y tus príncipes comen de mañana!
16Wee u, land, als uw koning een kind is, En uw prinsen in de morgenstond slempen.
17¡Bienaventurada, tú, tierra, cuando tu rey es hijo de nobles, y tus príncipes comen á su hora, por refección, y no por el beber!
17Heil u, land, als uw koning een edelman is, En uw prinsen op tijd maaltijd houden, Stevig, maar zonder zich te bedrinken.
18Por la pereza se cae la techumbre, y por flojedad de manos se llueve la casa.
18Bij luiheid verzakken de balken, En het huis wordt lek door traagheid van handen.
19Por el placer se hace el convite, y el vino alegra los vivos: y el dinero responde á todo.
19Om te genieten legt men maaltijden aan, En wijn vervrolijkt het leven; Voor geld is alles te krijgen.
20Ni aun en tu pensamiento digas mal del rey, ni en los secretos de tu cámara digas mal del rico; porque las aves del cielo llevarán la voz, y las que tienen alas harán saber la palabra.
20Vloek den koning zelfs niet op uw sponde, En scheld zelfs in uw slaapvertrek niet op den rijke; Want de vogels in de lucht kraaien het rond, En de fladderaars brengen het uit.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.