Eclesiastés 7
Reina-Valera 1909Translation
Reina-Valera 1909
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MEJOR es la buena fama que el buen ungüento; y el día de la muerte que el día del nacimiento.
1Een goede naam gaat de fijnste olie te boven, De sterfdag de dag der geboorte.
2Mejor es ir á la casa del luto que á la casa del convite: porque aquello es el fin de todos los hombres; y el que vive parará mientes.
2Beter gaat men naar een huis, waar men rouwt, Dan naar een huis, waar feest wordt gevierd. Want dat is het einde van iederen mens; Iedere levende neme het ter harte.
3Mejor es el enojo que la risa: porque con la tristeza del rostro se enmendará el corazón.
3Beter te treuren dan te lachen; Want een bedrukt gelaat wekt medelijden.
4El corazón de los sabios, en la casa del luto; mas el corazón de los insensatos, en la casa del placer.
4Het hart der wijzen is in het huis, waar men rouwt, Het hart der dwazen in het huis van de vreugd.
5Mejor es oir la reprensión del sabio, que la canción de los necios.
5Beter te luisteren naar de berisping der wijzen, Dan te horen naar het lied van de dwazen.
6Porque la risa del necio es como el estrépito de las espinas debajo de la olla. Y también esto es vanidad.
6Want zoals het knetteren der doornen onder de ketel, Zo is het lachen der dwazen; beide zijn ijdel.
7Ciertamente la opresión hace enloquecer al sabio: y el presente corrompe el corazón.
7Verdrukking maakt van den wijze een dwaas, En geschenken bederven het hart.
8Mejor es el fin del negocio que su principio: mejor es el sufrido de espíritu que el altivo de espíritu.
8Beter het einde van iets dan het begin; Beter lankmoedig van hart dan hoogmoedig.
9No te apresures en tu espíritu á enojarte: porque la ira en el seno de los necios reposa.
9Word niet spoedig vergramd in uw geest, Want gramschap huist in de boezem der dwazen.
10Nunca digas: ¿Qué es la causa que los tiempos pasados fueron mejores que éstos? Porque nunca de esto preguntarás con sabiduría.
10Vraag niet, waarom vroeger de tijden beter waren dan nu; Want niet uit wijsheid vraagt ge zo iets.
11Buena es la ciencia con herencia; y más á los que ven el sol.
11Wijsheid staat in waarde gelijk met een erfenis, Een groot goed is het voor hen, die het zonlicht aanschouwen;
12Porque escudo es la ciencia, y escudo es el dinero: mas la sabiduría excede en que da vida á sus poseedores.
12Want wijsheid beschermt, en rijkdom beschermt, Maar de kennis der wijsheid geeft bovendien leven aan wie haar bezit.
13Mira la obra de Dios; porque ¿quién podrá enderezar lo que él torció?
13Geef acht op het werk van God; Want wie kan recht buigen, wat Hij krom heeft gemaakt?
14En el día del bien goza del bien; y en el día del mal considera. Dios también hizo esto delante de lo otro, porque el hombre no halle nada tras de él.
14Als het dus goed gaat, wees dan blij; Gaat het slecht, wil dan bedenken: Zowel het een als het ander heeft God gemaakt, Opdat de mens niet op de toekomst rekent.
15Todo esto he visto en los días de mi vanidad. Justo hay que perece por su justicia, y hay impío que por su maldad alarga sus días .
15Beide heb ik gezien in mijn vluchtig leven: Soms komt een rechtvaardige om, ondanks zijn deugd, En de boze leeft lang, ondanks zijn zonde.
16No seas demasiado justo, ni seas sabio con exceso: ¿por qué te destruirás?
16Overdrijf dus uw braafheid niet, en wees niet te wijs; Waarom zoudt gij teleurgesteld worden?
17No hagas mal mucho, ni seas insensato: ¿por qué morirás antes de tu tiempo?
17Maar leef er ook niet op los, en wees geen dwaas; Waarom zoudt gij sterven vóór uw tijd?
18Bueno es que tomes esto, y también de estotro no apartes tu mano; porque el que á Dios teme, saldrá con todo.
18Beter is, dat ge het ene vasthoudt, En het andere niet laat varen; Want wie God vreest, zal beide volbrengen.
19La sabiduría fortifica al sabio más que diez poderosos la ciudad en que fueron.
19De wijsheid helpt den wijze meer, Dan tien prinsen in de stad;
20Ciertamente no hay hombre justo en la tierra, que haga bien y nunca peque.
20Maar niemand is er op aarde zo braaf, Dat hij steeds goed doet en nooit kwaad.
21Tampoco apliques tu corazón á todas las cosas que se hablaren, porque no oigas á tu siervo que dice mal de ti:
21Let ook niet op alles, wat er gezegd wordt, Opdat ge uw knecht u niet hoort vervloeken.
22Porque tu corazón sabe, como tú también dijiste mal de otros muchas veces.
22Ge zijt toch uzelf wel bewust, Dat ook gij vaak anderen hebt vervloekt.
23Todas estas cosas probé con sabiduría, diciendo: Hacerme he sabio: mas ella se alejó de mí.
23Dat alles heb ik met wijsheid doorzocht; Maar hoe meer ik naar de wijsheid streefde, Hoe verder zij van mij week.
24Lejos está lo que fué; y lo muy profundo ¿quién lo hallará?
24Al wat er gebeurt, is zo ongenaakbaar en diep, Zo diepzinnig; wie kan het doorgronden?
25Yo he rodeado con mi corazón por saber, y examinar, é inquirir la sabiduría, y la razón; y por conocer la maldad de la insensatez, y el desvarío del error;
25En toch heb ik mij er op toegelegd, Om kennis en doorzicht te verwerven, Om wijsheid te bekomen en inzicht, Om te begrijpen, dat de zonde een dwaasheid is, En wangedrag een zotheid moet zijn.
26Y yo he hallado más amarga que la muerte la mujer, la cual es redes, y lazos su corazón; sus manos como ligaduras. El que agrada á Dios escapará de ella; mas el pecador será preso en ella.
26En ik vond, dat de vrouw bitterder is dan de dood, Want zij is een valstrik; Haar hart is een net, haar handen zijn boeien. Wie Gode behaagt, ontsnapt er aan; Maar de zondaar wordt er door gevangen.
27He aquí, esto he hallado, dice el Predicador, pesando las cosas una por una para hallar la razón;
27Zie, zegt de Prediker, dit heb ik gevonden: (Alles heb ik beproefd, om een verklaring te vinden,
28Lo que aun busca mi alma, y no encuentro: un hombre entre mil he hallado; mas mujer de todas éstas nunca hallé.
28Maar mijn ziel zoekt nog altijd vergeefs;) Eén man vond ik op duizend; Maar een vrouw heb ik er niet onder gevonden.
29He aquí, solamente he hallado esto: que Dios hizo al hombre recto, mas ellos buscaron muchas cuentas.
29Alleen dit heb ik gevonden: God heeft de mensen rechtschapen gemaakt, Maar zelf zoeken zij allerlei slechtheid.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.