Ecclesiaste
Chapter 7

Ecclesiaste

Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ecclesiaste 7

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1LA buona fama val meglio che il buon olio odorifero , e il giorno della morte meglio che il giorno della natività.
1Een goede naam gaat de fijnste olie te boven, De sterfdag de dag der geboorte.
2Meglio vale andare in una casa di duolo, che andare in una casa di convito; perciocchè quello è il fine d'ogni uomo; e chi vive vi pon mente.
2Beter gaat men naar een huis, waar men rouwt, Dan naar een huis, waar feest wordt gevierd. Want dat is het einde van iederen mens; Iedere levende neme het ter harte.
3Meglio vale la tristezza che il riso; perciocchè il cuore migliora per la mestizia del volto.
3Beter te treuren dan te lachen; Want een bedrukt gelaat wekt medelijden.
4Il cuore de' savi è nella casa del duolo; e il cuor degli stolti è nella casa dell'allegrezza.
4Het hart der wijzen is in het huis, waar men rouwt, Het hart der dwazen in het huis van de vreugd.
5Meglio vale udir lo sgridar del savio, che se alcuno ode il cantar de' pazzi.
5Beter te luisteren naar de berisping der wijzen, Dan te horen naar het lied van de dwazen.
6Perciocchè, quale è il romore delle spine sotto la caldaia, tale è il ridere dello stolto. Anche questo è vanità.
6Want zoals het knetteren der doornen onder de ketel, Zo is het lachen der dwazen; beide zijn ijdel.
7Certo l'oppressione fa impazzare il savio, e il presente fa perdere il senno.
7Verdrukking maakt van den wijze een dwaas, En geschenken bederven het hart.
8Meglio vale il fin della cosa, che il principio di essa; meglio vale chi è di spirito paziente, che chi è di spirito altiero.
8Beter het einde van iets dan het begin; Beter lankmoedig van hart dan hoogmoedig.
9Non esser subito nell'animo tuo ad adirarti; perciocchè l'ira riposa nel seno degli stolti.
9Word niet spoedig vergramd in uw geest, Want gramschap huist in de boezem der dwazen.
10Non dire: Che vuol dire che i giorni di prima sono stati migliori di questi? perciocchè tu non domanderesti di ciò per sapienza.
10Vraag niet, waarom vroeger de tijden beter waren dan nu; Want niet uit wijsheid vraagt ge zo iets.
11La sapienza è buona come una eredità; e quelli che veggono il sole han del vantaggio.
11Wijsheid staat in waarde gelijk met een erfenis, Een groot goed is het voor hen, die het zonlicht aanschouwen;
12Perciocchè la sapienza è all'ombra, e i danari sono all'ombra; ma la scienza della sapienza ha questo vantaggio, ch 'ella fa vivere quelli che ne son dotati.
12Want wijsheid beschermt, en rijkdom beschermt, Maar de kennis der wijsheid geeft bovendien leven aan wie haar bezit.
13Riguarda le opere di Dio; perciocchè chi potrà ridirizzare ciò ch'egli avrà travolto?
13Geef acht op het werk van God; Want wie kan recht buigen, wat Hij krom heeft gemaakt?
14Nel giorno del bene sta' in allegrezza; e nel giorno dell'avversità, ponvi mente; ancora ha fatto Iddio l'uno contrapposto all'altro, per questa cagione, che l'uomo non troverà nulla dopo sè.
14Als het dus goed gaat, wees dan blij; Gaat het slecht, wil dan bedenken: Zowel het een als het ander heeft God gemaakt, Opdat de mens niet op de toekomst rekent.
15Io ho veduto tutto questo a' giorni della mia vanità. Vi è tal giusto, che perisce per la sua giustizia; e vi è tal empio, che prolunga la sua vita con la sua malvagità.
15Beide heb ik gezien in mijn vluchtig leven: Soms komt een rechtvaardige om, ondanks zijn deugd, En de boze leeft lang, ondanks zijn zonde.
16Non esser troppo giusto, e non farti savio oltre misura; perchè ti diserteresti?
16Overdrijf dus uw braafheid niet, en wees niet te wijs; Waarom zoudt gij teleurgesteld worden?
17Non esser troppo empio, nè stolto; perchè morresti fuor del tuo tempo?
17Maar leef er ook niet op los, en wees geen dwaas; Waarom zoudt gij sterven vóór uw tijd?
18Egli è bene che tu ti attenga ad una cosa, sì però che tu non allenti la mano dall'altra; perciocchè, chi teme Iddio esce d'ogni cosa.
18Beter is, dat ge het ene vasthoudt, En het andere niet laat varen; Want wie God vreest, zal beide volbrengen.
19La sapienza rinforza il savio, più che dieci rettori non fanno la città nella quale sono.
19De wijsheid helpt den wijze meer, Dan tien prinsen in de stad;
20Certo non vi è niun uomo giusto in terra, il quale faccia bene, e non pecchi.
20Maar niemand is er op aarde zo braaf, Dat hij steeds goed doet en nooit kwaad.
21Tu altresì non por mente a tutte le parole che altri dirà; anzi non pure ascoltare il tuo servo che ti maledice.
21Let ook niet op alles, wat er gezegd wordt, Opdat ge uw knecht u niet hoort vervloeken.
22Perciocchè il tuo cuore sa che tu ancora ne hai maledetti altri, eziandio più volte.
22Ge zijt toch uzelf wel bewust, Dat ook gij vaak anderen hebt vervloekt.
23Io ho provate tutte queste cose per sapienza; onde ho detto: Io son savio; ma la sapienza è longi da me.
23Dat alles heb ik met wijsheid doorzocht; Maar hoe meer ik naar de wijsheid streefde, Hoe verder zij van mij week.
24Chi troverà una cosa che è cotanto lontana, ed è profondissima?
24Al wat er gebeurt, is zo ongenaakbaar en diep, Zo diepzinnig; wie kan het doorgronden?
25Io mi sono aggirato con l'anima mia, per conoscere, per investigare, e per ricercar sapienza, e come si deve ben giudicar delle cose; e per conoscere l'empietà della stoltizia, e la follia delle pazzie;
25En toch heb ik mij er op toegelegd, Om kennis en doorzicht te verwerven, Om wijsheid te bekomen en inzicht, Om te begrijpen, dat de zonde een dwaasheid is, En wangedrag een zotheid moet zijn.
26ed ho trovata una cosa più amara che la morte, cioè: quella donna che non è altro che reti, e il cui cuore non è altro che giacchi, e le cui mani son tanti lacci; l'uomo gradevole a Dio scamperà da essa; ma il peccatore sarà preso da lei.
26En ik vond, dat de vrouw bitterder is dan de dood, Want zij is een valstrik; Haar hart is een net, haar handen zijn boeien. Wie Gode behaagt, ontsnapt er aan; Maar de zondaar wordt er door gevangen.
27Vedi, io ho trovato questo, dice il Predicatore, cercando ogni cosa ad una ad una, per trovare come si deve ben giudicar delle cose;
27Zie, zegt de Prediker, dit heb ik gevonden: (Alles heb ik beproefd, om een verklaring te vinden,
28il che ancora cerca l'anima mia, e non l'ho trovato ( ben ho trovato un uomo fra mille; ma fra altrettante donne, non ne ho trovata neppur una).
28Maar mijn ziel zoekt nog altijd vergeefs;) Eén man vond ik op duizend; Maar een vrouw heb ik er niet onder gevonden.
29Sol ecco ciò che io ho trovato: che Iddio ha fatto l'uomo diritto; ma gli uomini hanno ricercati molti discorsi.
29Alleen dit heb ik gevonden: God heeft de mensen rechtschapen gemaakt, Maar zelf zoeken zij allerlei slechtheid.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.