Esodo
Chapter 35
Diodati Bibbia 1885
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Esodo 35

Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1MOSÈ adunque adunò tutta la raunanza de' figliuoli d'Israele, e disse loro: Queste son le cose che il Signore ha comandate che si facciano:
1Nu riep Moses de hele gemeenschap der Israëlieten bijeen, en sprak: Dit zijn de geboden, die Jahweh u beveelt te onderhouden.
2Lavorisi sei giorni, e al settimo giorno siavi giorno santo, il Riposo del Sabato consacrato al Signore; chiunque farà in esso opera alcuna sia fatto morire.
2Zes dagen kunt ge arbeid verrichten, maar op de zevende dag moet gij een heilige sabbat van volkomen rust ter ere van Jahweh houden. Iedereen, die op die dag arbeid verricht, moet sterven;
3Non accendete fuoco in alcuna delle vostre stanze nel giorno del Sabato.
3zelfs geen vuur moogt ge op de sabbat in uw woningen aansteken.
4Poi Mosè disse a tutta la raunanza de' figliuoli d'Israele: Questo è quello che il Signore ha comandato.
4En Moses vervolgde tot heel de gemeenschap der Israëlieten: Dit heeft Jahweh bevolen!
5Pigliate di quello che avete appo voi da fare un'offerta al Signore; chiunque sarà d'animo volenteroso, porti quell' offerta al Signore; oro, e argento, e rame,
5Gij moet van uw bezit een bijdrage voor Jahweh afstaan. Iedereen, wien het hart het ingeeft, moet Jahweh geschenken brengen: goud, zilver en brons,
6e violato, e porpora, e scarlatto, e fin lino, e pel di capra,
6violet, purper en karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar;
7e pelli di montone tinte in rosso, e pelli di tasso, e legno di Sittim,
7roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
8e olio per la lumiera, e aromati per l'olio dell'Unzione, e per lo profumo degli aromati,
8olie voor de lampen en specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
9e pietre onichine, e pietre da legare, per l'Efod, e per lo Pettorale.
9onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
10E tutti gli uomini industriosi che son fra voi vengano, e facciano tutto quello che il Signore ha comandato:
10Alle kunstenaars, die er onder u zijn, moeten opkomen, en alles vervaardigen, wat Jahweh bevolen heeft:
11il Tabernacolo, la sua tenda, la sua coverta, i suoi graffi, le sue assi, le sue sbarre, le sue colonne, e i suoi piedistalli;
11de tabernakel met zijn tent en bedekking, zijn haken, schotten en bindlatten, zijn palen met hun voetstukken;
12l'Arca, e le sue stanghe; il Coperchio, e la Cortina da tender davanti ;
12de ark met haar handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel;
13la Tavola, e le sue stanghe, e tutti i suoi strumenti; e il Pane del cospetto;
13de tafel en haar handbomen en al wat er bij hoort, en de toonbroden;
14e il Candelliere della lumiera, e i suoi strumenti, e le sue lampane, e l'olio per la lumiera;
14de kandelaar met haar benodigdheden, de lampen en de olie voor de kandelaar;
15e l'Altar de' profumi, e le sue stanghe; l'olio dell'Unzione, e il profumo degli aromati, e il Tappeto dell'entrata, per l'entrata del Tabernacolo;
15het reukofferaltaar met zijn handbomen; de zalfolie en de geurige wierook; het tapijt voor de ingang van de tabernakel;
16l'Altar degli olocausti, e la sua grata di rame, e le sue sbarre, e tutti i suoi strumenti; la Conca, e il suo piede;
16het brandofferaltaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al zijn benodigdheden; het bekken met zijn onderstel;
17le cortine del Cortile, le sue colonne e i suoi piedistalli; e il Tappeto dell'entrata del Cortile;
17de gordijnen rond de voorhof met hun palen en voetstukken, en het tapijt voor de ingang van de voorhof;
18i piuoli del Tabernacolo, e i piuoli del Cortile, e le lor corde;
18de pinnen voor de tabernakel en de pinnen voor de voorhof met haar touwen;
19i vestimenti del servigio, da fare il servigio nel Luogo santo; i vestimenti sacri del Sacerdote Aaronne, e i vestimenti de' suoi figliuoli, per esercitare il sacerdozio.
19de ambtsgewaden, om in het heiligdom de priesterdienst te verrichten, de heilige gewaden voor den priester Aäron en de priestergewaden voor zijn zonen.
20Allora tutta la raunanza de' figliuoli d'Israele si partì dal cospetto di Mosè.
20Toen ging heel de gemeenschap der Israëlieten van Moses heen;
21E tutti coloro, il cui cuore li sospinse, e il cui spirito li mosse volenterosamente, vennero, e portarono l'offerta del Signore, per l'opera del Tabernacolo della convenenza, e per ogni servigio di esso, e per li vestimenti sacri.
21en iedereen, wien het hart het ingaf en die zich daartoe voelde aangetrokken, kwam Jahweh geschenken brengen voor de bouw van de openbaringstent, voor de eredienst en de heilige gewaden.
22E tutte le persone di cuor volenteroso vennero, uomini e donne; e portarono fibbie, e monili, e anella, e fermagli; ogni sorte di arredi d'oro; oltre a tutti coloro che offersero al Signore offerta d'oro.
22Zowel mannen als vrouwen brachten geschenken, iedereen, wien het hart het ingaf. Iedereen, die Jahweh een wijgeschenk van goud wilde aanbieden, bracht gespen, oorringen, vingerringen, halsketens en allerlei andere gouden sieraden.
23E ogni uomo, appo cui si trovò violato, o porpora, o scarlatto, o fin lino, o pel di capra, o pelli di montone tinte in rosso, e pelli di tasso, ne portò.
23Iedereen, die violet, purper en karmozijn, lijnwaad en geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of gelooide huiden bezat, kwam het brengen.
24Chiunque potè offerire offerta d'argento, e di rame, ne portò per l'offerta del Signore; parimente ciascuno, appo cui si trovò legno di Sittim, per qualunque opera del lavorio, ne portò.
24Iedereen, die een geschenk van zilver of koper wilde aanbieden, bracht het als een gave voor Jahweh; en iedereen, die acaciahout bezat, dat overal bij het werk nodig kon zijn, bracht dat.
25E tutte le donne industriose filarono con le lor mani, e portarono il filato del violato, e della porpora, e dello scarlatto, e del fin lino.
25Alle kunstzinnige vrouwen begonnen eigenhandig te spinnen, en brachten wat ze gesponnen hadden: violet, purper, karmozijn en lijnwaad;
26Tutte le donne ancora, il cui cuore le sospinse ad adoperarsi con industria, filarono il pel di capra.
26en alle vrouwen, die door haar vaardigheid er lust in vonden, sponnen het geitenhaar.
27E i principali del popolo portarono pietre onichine, e pietre da legare, per l'Efod, e per lo Pettorale;
27De leiders brachten onyxstenen en edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten;
28e aromati, e olio, per la lumiera, e per l'olio dell'Unzione, e per lo profumo degli aromati.
28bovendien de specerijen, de olie voor de kandelaar, de zalfolie en de geurige wierook.
29Così tutti coloro d'infra i figliuoli d'Israele, così uomini come donne, il cui cuore li mosse volenterosamente a portar ciò che faceva bisogno per tutto il lavorio, che il Signore avea comandato per Mosè che si facesse, portarono offerte volontarie al Signore.
29Zo brachten de kinderen Israëls Jahweh hun vrijwillige gaven; alle mannen en vrouwen, wie het hart het ingaf, om bij te dragen voor heel het werk, dat Jahweh door Moses bevolen had te verrichten.
30E MOSÈ disse a' figliuoli d'Israele: Vedete, il Signore ha chiamato per nome Besaleel, figliuol di Uri, figliuol di Hur, della tribù di Giuda.
30Daarop sprak Moses tot de Israëlieten: Ziet, Jahweh heeft Besalel, den zoon van Oeri, zoon van Choer, uit de stam van Juda uitverkoren,
31E l'ha empiuto dello Spirito di Dio, in industria, in ingegno, in sapere, e in ogni artificio;
31en hem met Gods geest vervuld: met wijsheid en inzicht, met kennis en vaardigheid,
32eziandio per far disegni da lavorare in oro, e in argento, e in rame,
32om ontwerpen te maken en in goud, zilver of brons uit te voeren,
33e in arte di pietre da legare, e in arte di lavorar di legno, per far qualunque lavorio ingegnoso.
33om edelstenen te graveren en te zetten, hout te bewerken, en allerlei kunstzinnige arbeid te verrichten.
34E anche ha messo nell'animo suo il sapere ammaestrare altrui ; e con lui Oholiab, figliuol di Ahisamac, della tribù di Dan.
34Hem en Oholiab, den zoon van Achisamak, uit de stam van Dan, heeft Hij geschikt gemaakt, om leiding te geven,
35Egli li ha empiuti d'industria, da far qualunque lavorio di fabbro, e di disegnatore, e di ricamatore in violato, in porpora, in iscarlatto, e in fin lino; e di tessitore; e di artefice in qualunque lavorio e disegno.
35en vakkennis verleend, om alle soort arbeid te laten verrichten, zowel het werk van ambachtslieden als van kunstenaars, het werk van wevers van violet, purper, karmozijn en lijnwaad, als dat van eenvoudige wevers. Zij zullen dus zowel de uitvoerders zijn van het hele werk, als de ontwerpers ervan.
36Besaleel adunque, e Oholiab, e ogni uomo industrioso, in cui il Signore ha posto industria ed ingegno, da saper lavorare, facciano tutto il lavorio dell'opera del Santuario, secondo tutto quello che il Signore ha comandato.
no verse 36 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.