Exodus
Chapter 35
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Exodus 35

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Igitur congregata omni turba filiorum Israël, dixit ad eos: Hæc sunt quæ jussit Dominus fieri.
1Nu riep Moses de hele gemeenschap der Israëlieten bijeen, en sprak: Dit zijn de geboden, die Jahweh u beveelt te onderhouden.
2Sex diebus facietis opus: septimus dies erit vobis sanctus, sabbatum, et requies Domini: qui fecerit opus in eo, occidetur.
2Zes dagen kunt ge arbeid verrichten, maar op de zevende dag moet gij een heilige sabbat van volkomen rust ter ere van Jahweh houden. Iedereen, die op die dag arbeid verricht, moet sterven;
3Non succendetis ignem in omnibus habitaculis vestris per diem sabbati.
3zelfs geen vuur moogt ge op de sabbat in uw woningen aansteken.
4Et ait Moyses ad omnem catervam filiorum Israël: Iste est sermo quem præcepit Dominus, dicens:
4En Moses vervolgde tot heel de gemeenschap der Israëlieten: Dit heeft Jahweh bevolen!
5Separate apud vos primitias Domino. Omnis voluntarius et prono animo offerat eas Domino: aurum et argentum, et æs,
5Gij moet van uw bezit een bijdrage voor Jahweh afstaan. Iedereen, wien het hart het ingeeft, moet Jahweh geschenken brengen: goud, zilver en brons,
6hyacinthum et purpuram, coccumque bis tinctum, et byssum, pilos caprarum,
6violet, purper en karmozijn, getwijnd lijnwaad en geitenhaar;
7pellesque arietum rubricatas, et janthinas, ligna setim,
7roodgeverfde ramsvellen, gelooide huiden en acaciahout;
8et oleum ad luminaria concinnanda, et ut conficiatur unguentum, et thymiama suavissimum,
8olie voor de lampen en specerijen voor de zalfolie en voor de geurige wierook;
9lapides onychinos, et gemmas ad ornatum superhumeralis et rationalis.
9onyxstenen en andere edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten.
10Quisque vestrum sapiens est, veniat, et faciat quod Dominus imperavit:
10Alle kunstenaars, die er onder u zijn, moeten opkomen, en alles vervaardigen, wat Jahweh bevolen heeft:
11tabernaculum scilicet, et tectum ejus, atque operimentum, annulos, et tabulata cum vectibus, paxillos, et bases:
11de tabernakel met zijn tent en bedekking, zijn haken, schotten en bindlatten, zijn palen met hun voetstukken;
12arcam et vectes, propitiatorium, et velum, quod ante illud oppanditur:
12de ark met haar handbomen, het verzoendeksel en het voorhangsel;
13mensam cum vectibus et vasis, et propositionis panibus:
13de tafel en haar handbomen en al wat er bij hoort, en de toonbroden;
14candelabrum ad luminaria sustentanda, vasa illius et lucernas, et oleum ad nutrimenta ignium:
14de kandelaar met haar benodigdheden, de lampen en de olie voor de kandelaar;
15altare thymiamatis, et vectes, et oleum unctionis et thymiama ex aromatibus: tentorium ad ostium tabernaculi:
15het reukofferaltaar met zijn handbomen; de zalfolie en de geurige wierook; het tapijt voor de ingang van de tabernakel;
16altare holocausti, et craticulam ejus æneam cum vectibus et vasis suis: labrum et basim ejus:
16het brandofferaltaar met zijn bronzen rasterwerk, zijn handbomen en al zijn benodigdheden; het bekken met zijn onderstel;
17cortinas atrii cum columnis et basibus, tentorium in foribus vestibuli,
17de gordijnen rond de voorhof met hun palen en voetstukken, en het tapijt voor de ingang van de voorhof;
18paxillos tabernaculi et atrii cum funiculis suis:
18de pinnen voor de tabernakel en de pinnen voor de voorhof met haar touwen;
19vestimenta, quorum usus est in ministerio sanctuarii, vestes Aaron pontificis ac filiorum ejus, ut sacerdotio fungantur mihi.
19de ambtsgewaden, om in het heiligdom de priesterdienst te verrichten, de heilige gewaden voor den priester Aäron en de priestergewaden voor zijn zonen.
20Egressaque omnis multitudo filiorum Israël de conspectu Moysi,
20Toen ging heel de gemeenschap der Israëlieten van Moses heen;
21obtulerunt mente promptissima atque devota primitias Domino, ad faciendum opus tabernaculi testimonii. Quidquid ad cultum et ad vestes sanctas necessarium erat,
21en iedereen, wien het hart het ingaf en die zich daartoe voelde aangetrokken, kwam Jahweh geschenken brengen voor de bouw van de openbaringstent, voor de eredienst en de heilige gewaden.
22viri cum mulieribus præbuerunt, armillas et inaures, annulos et dextralia: omne vas aureum in donaria Domini separatum est.
22Zowel mannen als vrouwen brachten geschenken, iedereen, wien het hart het ingaf. Iedereen, die Jahweh een wijgeschenk van goud wilde aanbieden, bracht gespen, oorringen, vingerringen, halsketens en allerlei andere gouden sieraden.
23Si quis habebat hyacinthum, et purpuram, coccumque bis tinctum, byssum et pilos caprarum, pelles arietum rubricatas, et janthinas,
23Iedereen, die violet, purper en karmozijn, lijnwaad en geitenhaar, roodgeverfde ramsvellen of gelooide huiden bezat, kwam het brengen.
24argenti, ærisque metalla, obtulerunt Domino, lignaque setim in varios usus.
24Iedereen, die een geschenk van zilver of koper wilde aanbieden, bracht het als een gave voor Jahweh; en iedereen, die acaciahout bezat, dat overal bij het werk nodig kon zijn, bracht dat.
25Sed et mulieres doctæ, quæ neverant, dederunt hyacinthum, purpuram, et vermiculum, ac byssum,
25Alle kunstzinnige vrouwen begonnen eigenhandig te spinnen, en brachten wat ze gesponnen hadden: violet, purper, karmozijn en lijnwaad;
26et pilos caprarum, sponte propria cuncta tribuentes.
26en alle vrouwen, die door haar vaardigheid er lust in vonden, sponnen het geitenhaar.
27Principes vero obtulerunt lapides onychinos, et gemmas ad superhumerale et rationale,
27De leiders brachten onyxstenen en edelstenen, om er het borstkleed en de borsttas mee te bezetten;
28aromataque et oleum ad luminaria concinnanda, et ad præparandum unguentum, ac thymiama odoris suavissimi componendum.
28bovendien de specerijen, de olie voor de kandelaar, de zalfolie en de geurige wierook.
29Omnes viri et mulieres mente devota obtulerunt donaria, ut fierent opera, quæ jusserat Dominus per manum Moysi. Cuncti filii Israël voluntaria Domino dedicaverunt.
29Zo brachten de kinderen Israëls Jahweh hun vrijwillige gaven; alle mannen en vrouwen, wie het hart het ingaf, om bij te dragen voor heel het werk, dat Jahweh door Moses bevolen had te verrichten.
30Dixitque Moyses ad filios Israël: Ecce, vocavit Dominus ex nomine Beseleel filium Uri, filii Hur de tribu Juda,
30Daarop sprak Moses tot de Israëlieten: Ziet, Jahweh heeft Besalel, den zoon van Oeri, zoon van Choer, uit de stam van Juda uitverkoren,
31implevitque eum spiritu Dei, sapientia et intelligentia, et scientia et omni doctrina,
31en hem met Gods geest vervuld: met wijsheid en inzicht, met kennis en vaardigheid,
32ad excogitandum, et faciendum opus in auro, et argento, et ære,
32om ontwerpen te maken en in goud, zilver of brons uit te voeren,
33sculpendisque lapidibus, et opere carpentario, quidquid fabre adinveniri potest,
33om edelstenen te graveren en te zetten, hout te bewerken, en allerlei kunstzinnige arbeid te verrichten.
34dedit in corde ejus: Ooliab quoque filium Achisamech de tribu Dan:
34Hem en Oholiab, den zoon van Achisamak, uit de stam van Dan, heeft Hij geschikt gemaakt, om leiding te geven,
35ambos erudivit sapientia, ut faciant opera abietarii, polymitarii, ac plumarii, de hyacintho ac purpura, coccoque bis tincto, et bysso, et texant omnia, ac nova quæque reperiant.
35en vakkennis verleend, om alle soort arbeid te laten verrichten, zowel het werk van ambachtslieden als van kunstenaars, het werk van wevers van violet, purper, karmozijn en lijnwaad, als dat van eenvoudige wevers. Zij zullen dus zowel de uitvoerders zijn van het hele werk, als de ontwerpers ervan.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.