Esodo 37
Diodati Bibbia 1885Translation
Diodati Bibbia 1885
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1BESALEEL fece ancora l'Arca, di legno di Sittim; la sua lunghezza era di due cubiti e mezzo, e la larghezza di un cubito e mezzo, e l'altezza di un cubito e mezzo.
1Vervolgens maakte Besalel de ark van acaciahout. twee en een halve el lang, anderhalve el breed en anderhalve el hoog.
2E la coperse d'oro puro, di dentro e di fuori, e le fece una corona d'oro attorno.
2Hij bekleedde haar van binnen en van buiten met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
3E le fondè quattro anelli d'oro, e mise quegli anelli a' quattro piedi di essa, due dall'uno de' lati di essa, e due dall'altro.
3Hij goot er vier gouden krammen voor, boven aan de vier poten, twee krammen dus aan iedere kant.
4Fece ancora delle stanghe di legno di Sittim, e le coperse d'oro.
4Hij maakte handbomen van acaciahout, die hij met goud besloeg.
5E mise quelle stanghe dentro agli anelli, da' lati dell'Arca, per portarla.
5Die handbomen stak hij door de krammen aan weerskanten van de ark, om daarmee de ark te dragen.
6Fece ancora il Coperchio d'oro puro; e la sua lunghezza era di due cubiti e mezzo, e la larghezza di un cubito e mezzo.
6Daarna maakte hij een verzoendeksel van zuiver goud, twee en een halve el lang en anderhalve el breed.
7Fece, oltre a ciò, due Cherubini d'oro; li fece di lavoro tirato al martello, da' due capi del Coperchio;
7Aan de beide uiteinden van het verzoendeksel maakte hij twee gouden cherubs, als drijfwerk.
8un Cherubino nell'uno de' capi di qua, e un altro nell'altro di là; fece que' Cherubini tirati dal Coperchio stesso, da' due capi di esso.
8Een cherub sloeg hij uit aan het ene einde, en een cherub aan het andere einde; zo sloeg hij in het verzoendeksel zelf aan beide uiteinden de cherubs uit.
9E i Cherubini spandevano l'ale in su, facendo coverta sopra il Coperchio con le loro ale; e aveano le lor facce volte l'uno verso l'altro; le facce de' Cherubini erano verso il Coperchio.
9De cherubs spreidden hun vleugels omhoog, en overspanden met hun vleugels het verzoendeksel; ze stonden tegenover elkander terwijl hun gezichten naar het verzoendeksel waren gericht.
10Fece ancora la Tavola, di legno di Sittim; la sua lunghezza era di due cubiti, e la larghezza di un cubito, e l'altezza di un cubito e mezzo.
10Vervolgens vervaardigde hij de tafel van acaciahout, twee ellen lang, een el breed en anderhalve el hoog.
11E la coperse d'oro puro, e le fece una corona d'oro attorno.
11Hij overtrok haar met zuiver goud, en maakte er loofwerk van goud omheen.
12Le fece eziandio attorno una chiusura di larghezza di un palmo, e a quella sua chiusura fece una corona d'oro attorno.
12Hij maakte daar een lijst omheen van een hand breed, en om die lijst loofwerk van goud.
13E fondè a quella Tavola quattro anelli d'oro, e mise quegli anelli a' quattro canti, ch' erano a' quattro piedi di essa Tavola.
13Ook goot hij vier gouden krammen en bevestigde die aan de vier hoeken bij de vier poten.
14Quegli anelli erano dirincontro a quella chiusura, per mettervi dentro le stanghe, da portar la Tavola.
14Die krammen zaten vlak bij de lijst, om er de handbomen door te steken, waaraan de tafel gedragen werd.
15Fece, oltre a ciò, le stanghe di legno di Sittim, e le coperse d'oro.
15De handbomen van de tafel maakte hij van acaciahout, en besloeg ze met goud.
16Fece ancora d'oro puro i vasellamenti che s'aveano a mettere sopra la Tavola, le sue scodelle, e le sue coppe, e i suoi bacini, e i suoi nappi, co' quali si doveano far gli spargimenti.
16Bovendien maakte hij het vaatwerk dat bij de tafel behoort, de schotels, kannen, schalen en bekers, waarmee men de plengoffers brengt, van zuiver goud.
17Fece eziandio il Candelliere, d'oro puro; egli lo fece di lavoro tirato al martello; così il suo gambo, come i suoi rami, i suoi vasi, i suoi pomi, e le sue bocce, erano di un pezzo.
17Daarna maakte hij de kandelaar van zuiver goud. Hij vervaardigde de kandelaar als drijfwerk: zijn voetstuk, schacht, zijn bloemkelken, knoppen en bloesems uit één stuk.
18E v'erano sei rami procedenti da' lati di esso; tre rami dall'uno de' lati di esso, e tre dall'altro.
18Zes armen staken terzijde uit, drie armen aan de ene kant van de kandelaar en drie armen aan de andere kant.
19Nell'uno di essi rami v'erano tre vasi in forma di mandorla, un pomo, e una boccia, a ciascun vaso; parimente tre vasi in forma di mandorla, un pomo, e una boccia a ciascun vaso, nell'altro ramo; e così in tutti i sei rami procedenti dal Candelliere.
19Aan iedere arm zaten drie bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems; dus aan de zes armen, die uit de kandelaar staken, op dezelfde manier.
20E nel gambo del Candelliere v'erano quattro vasi in forma di mandorla, co' suoi pomi, e con le sue bocce.
20Aan de kandelaar zelf zaten vier bloemkelken in de vorm van amandelbloesem, knoppen en bloesems;
21E ne' sei rami procedenti dal Candelliere, v'era un pomo sotto i due primi rami, d'un pezzo col Candelliere; e un pomo sotto i due altri rami, d'un pezzo col Candelliere; e un pomo sotto i due altri rami, d'un pezzo col Candelliere.
21onder de drie paar armen zat telkens een knop, waar de zes armen uit de kandelaar schoten.
22I pomi de' rami e i rami loro erano d'un pezzo col Candelliere; tutto il Candelliere era d'un pezzo d'oro puro tirato al martello.
22De knoppen en armen waren met de kandelaar uit één stuk: het geheel één stuk drijfwerk van zuiver goud.
23Fece ancora le sette lampane d'esso, i suoi smoccolatoi, e i suoi catinelli, d'oro puro.
23Bovendien maakte hij de zeven lampen, die er bij horen, met de snuiters en bakjes, van zuiver goud.
24Egli impiegò intorno al Candelliere, e a tutti i suoi strumenti, un talento d'oro.
24Hij gebruikte voor het vervaardigen van de kandelaar en alles wat er bij hoort, een talent zuiver goud.
25Poi fece l'Altar de' profumi, di legno di Sittim; la sua lunghezza era di un cubito, e la larghezza di un cubito, sì ch'era quadrato; e la sua altezza era di due cubiti; e le sue corna erano tirate d'esso.
25Vervolgens maakte hij het reukofferaltaar van acaciahout, een el lang en een el breed, dus vierkant, en twee ellen hoog. De hoornen maakten er één geheel mee uit.
26E lo coperse d'oro puro, il suo coperchio, i suoi lati d'intorno, e le sue corna: gli fece eziandio una corona d'oro attorno.
26Hij overtrok het met zuiver goud, zowel het bovenvlak als alle zijkanten en de hoornen, en maakte er loofwerk van goud omheen.
27Gli fece ancora due anelli d'oro, disotto a quella sua corona, a' due suoi cantoni, da due de' suoi lati, i quali erano per mettervi dentro le stanghe, per portar quell'Altare con esse.
27Onder dat loofwerk bracht hij aan weerskanten twee gouden krammen aan, die moesten dienen voor de handbomen, waarmee het gedragen werd.
28E fece quelle stanghe di legno di Sittim, e le coperse d'oro.
28De handbomen maakte hij van acaciahout en besloeg ze met goud.
29Poi fece l'olio sacro dell'Unzione, e il profumo degli aromati, puro, di lavoro di profumiere.
29Nog bereidde hij de heilige zalfolie en de wierook van zuivere specerijen, volgens de regels der kunst gemengd.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.