Soudců
Chapter 14
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Soudců 14

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Šel pak Samson do Tamnata, a uzřel tam ženu ze dcer Filistinských.
1Toen Samson eens naar Timna afdaalde. zag hij daar een filistijns meisje.
2A navrátiv se, oznámil otci svému a mateři své, řka: Viděl jsem ženu v Tamnata ze dcer Filistinských, protož nyní vezměte mi ji za manželku.
2Bij zijn terugkomst vertelde hij aan zijn vader en moeder: Te Timna heb ik een filistijns meisje gezien, dat ge voor mij tot vrouw moest nemen.
3I řekl mu otec jeho a matka jeho: Zdali není mezi dcerami bratří tvých a ve všem lidu mém ženy, že sobě vzíti chceš manželku z Filistinských neobřezaných? Odpověděl Samson otci svému: Tuto vezměte mi, nebť mi se líbí.
3Doch zijn vader en moeder zeiden hem: Is er dan onder de dochters van uw verwanten en in heel uw volk geen vrouw te vinden, dat ge er een uit die onbesneden Filistijnen wilt nemen? Maar Samson antwoordde zijn vader: Toch moet ge haar voor mij nemen, want zij behaagt me.
4Otec pak jeho a matka jeho nevěděli, by to od Hospodina bylo, a že příčiny hledá od Filistinských; nebo toho času panovali Filistinští nad Izraelem.
4Zijn vader en moeder nu wisten niet, dat dit door Jahweh zo was beschikt, en dat Samson een aanleiding zocht, om met de Filistijnen, die in die tijd Israël overheersten, in twist te geraken.
5Tedy šel Samson a otec jeho i matka jeho do Tamnata. Když pak přišli k vinicím Tamnatským, a aj, lev mladý řvoucí potkal se s ním.
5Samson ging dus met zijn vader en moeder naar Timna. Vlak bij de wijnbergen van Timna sprong een jonge leeuw brullend op hem af.
6I sstoupil na něj Duch Hospodinův, a roztrhl lva, jako by roztrhl kozelce, ačkoli nic neměl v rukou svých. A neoznámil otci ani mateři své, co učinil.
6De geest van Jahweh grijpt hem aan, en zonder iets bij de hand te hebben, scheurt hij hem vaneen, zoals men een geitebokje vaneen scheurt. Aan zijn vader en moeder vertelde hij echter niet wat hij gedaan had.
7Přišed tedy, mluvil s ženou tou, a líbila se Samsonovi.
7Samson daalde verder af, sprak met de vrouw, en ze bleef hem behagen.
8Navracuje se pak po několika dnech, aby ji pojal, uchýlil se, aby pohleděl na mrtvého lva, a aj, v těle jeho byl roj včel a med.
8Toen hij enige tijd later terugkeerde, om haar tot vrouw te nemen, week hij wat van zijn weg af, om eens naar het kreng van den leeuw te gaan kijken; en daar zag hij in het geraamte van den leeuw een zwerm bijen en honing.
9A vybrav jej na ruce své, šel cestou a jedl; a přišed k otci svému a mateři své, dal jim, i jedli. Ale nepověděl jim, že z mrtvého lva vyňal ten med.
9Hij haalde die er met zijn hand uit, at er onderweg van, en ging er ook zijn vader en moeder van brengen. Ze aten er van; maar hij vertelde hun niet, dat hij de honing uit het geraamte van den leeuw had gehaald.
10Tedy šel otec jeho k ženě té, a učinil tam Samson hody, nebo tak činívali mládenci.
10Toen Samson dan bij de vrouw was gekomen, bood hij een maaltijd aan; want dat was de gewoonte der jongelieden.
11Když pak jej viděli tam, vybrali z sebe třidceti tovaryšů, aby byli při něm.
11Maar daar men bang voor hem was, koos men dertig feestgenoten uit, om bij hem te blijven.
12I řekl jim Samson: Vydám vám pohádku, kterouž jestliže mi právě vysvětlíte za sedm dní těchto hodů a uhodnete, dám vám třidceti čechlů a třidcatero roucho proměnné.
12Tot hen nu zei Samson: Ik zal u eens een raadsel opgeven. Als gij het mij gedurende de zeven dagen van het feest oplost, geef ik u dertig onder- en dertig bovenklederen;
13Jestliže mi pak nebudete moci uhodnouti, dáte vy mně třidceti čechlů a třidcatero roucho proměnné. Kteříž odpověděli jemu: Vydej pohádku svou, ať ji slyšíme.
13kunt ge het mij niet oplossen, dan moet ge mij dertig onder- en dertig bovenklederen geven. Ze antwoordden: Geef uw raadsel maar op; we willen het wel eens horen.
14I řekl jim: Z zžírajícího vyšel pokrm, a z silného vyšla sladkost. I nemohli uhodnouti pohádky té za tři dni.
14En hij zei hun: Uit den vraat kwam spijs te voorschijn, En zoetigheid uit den sterke! Toen ze na drie dagen het raadsel niet hadden kunnen oplossen,
15Stalo se pak dne sedmého, (nebo byli řekli ženě Samsonově: Namluv muže svého, ať nám vyloží tu pohádku, ať nespálíme tě i domu otce tvého ohněm. Proto-liž, abyste našeho statku dostali, pozvali jste nás? Èi co?
15zeiden ze op de vierde dag tot Samsons vrouw: Praat eens met uw man, dat hij u de oplossing geeft; anders verbranden we u en het huis van uw vader. Of hebt ge ons soms hier uitgenodigd, om ons arm te maken?
16I plakala žena Samsonova na něj, řkuci: Jistě nenávidíš mne a nemiluješ mne; pohádku jsi vydal synům lidu mého, a mně jí nechceš povědíti. Kterýž řekl jí: Hle, otci mému a mateři neoznámil jsem, a tobě mám povědíti?
16Nu viel Samsons vrouw hem wenend om de hals, en sprak: Ge hebt het land aan me, ge houdt niet van me; ge hebt mijn landgenoten een raadsel opgegeven, en mij wilt ge de oplossing niet zeggen. Maar hij zei haar: Zie, zelfs aan mijn vader en moeder heb ik die niet verteld, en zou ik ze u dan zeggen?
17I plakala na něj do sedmého dne, v nichž měli hody). Dne tedy sedmého pověděl jí, nebo trápila jej; kterážto oznámila pohádku synům lidu svého.
17Doch wenend bleef ze bij hem aandringen al de zeven feestdagen lang, totdat hij het haar op de zevende dag maar vertelde, omdat zij zo bij hem aanhield. Toen verklapte ze de oplossing aan haar landgenoten.
18Muži tedy města toho dne sedmého, prvé než slunce zapadlo, řekli jemu: Co sladšího nad med, a co silnějšího nad lva? Kterýž řekl jim: Byste byli neorali mou jalovičkou, neuhodli byste pohádky mé.
18En op de zevende dag, juist toen hij de bruidskamer wilde binnengaan, zeiden hem de bewoners der stad: Wat is zoeter dan honing; Wat is sterker dan een leeuw? Hij gaf hun ten antwoord: Hadt gij niet met mijn koe geploegd, ge hadt mijn raadsel niet opgelost.
19I sstoupil na něj Duch Hospodinův, a šel do Aškalon, a pobil z nich třidceti mužů. A vzav loupeže jejich, dal šaty proměnné těm, jenž uhodli pohádku, a rozhněvav se velmi, odšel do domu otce svého.
19Nu greep de geest van Jahweh hem aan; hij daalde naar Asjkelon af, versloeg er dertig man, beroofde hen van al wat ze hadden, en gaf hun kleren aan hen, die het raadsel hadden opgelost. Daarna ging Samson woedend heen naar het huis van zijn vader,
20Žena pak Samsonova dostala se jednomu z tovaryšů jeho, kteréhož on byl k sobě připojil.
20terwijl de vrouw van Samson aan een van zijn makkers werd gegeven, die zijn feestgenoot was geweest.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.