2 Samuelova 5
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tehdy přišla všecka pokolení Izraelská k Davidovi do Hebronu, a mluvili, řkouce: Aj, my kost tvá a tělo tvé jsme.
1Toen kwamen alle stammen van Israël tot David in Hebron en zeiden: Zie, wij zijn uw vlees en bloed!
2A předešlých časů, když byl Saul králem nad námi, ty jsi vyvodil i zase přivodil lid Izraelský. A nadto řekl Hospodin tobě: Ty pásti budeš lid můj Izraelský, a ty budeš vývoda nad Izraelem.
2Reeds vroeger, toen Saul nog koning over ons was, waart gij het, die Israël te velde deed trekken en terugbracht. En tot u heeft Jahweh gezegd: “Gij zult mijn volk Israël weiden; gij zult de leider van Israël zijn!”
3Přišli také všickni starší Izraelští k králi do Hebronu, a učinil s nimi král David smlouvu v Hebronu před Hospodinem. I pomazali Davida za krále nad Izraelem.
3Toen alle oudsten van Israël dus tot den koning in Hebron gekomen waren, sloot koning David met hen een verbond voor het aanschijn van Jahweh, en werd David door hen tot koning over Israël gezalfd.
4Ve třidcíti letech byl David, když počal kralovati, a kraloval čtyřidceti let.
4David was dertig jaar, toen hij koning werd, en veertig jaar lang heeft hij geregeerd.
5V Hebronu kraloval nad Judou sedm let a šest měsíců, a v Jeruzalémě kraloval třidceti a tři léta nade vším Izraelem a Judou.
5Zeven jaar en zes maanden regeerde hij over Juda in Hebron, en drie en dertig jaar over heel Israël en Juda in Jerusalem.
6Táhl pak král s lidem svým k Jeruzalému proti Jebuzejskému, obyvateli té země; kterýž mluvil Davidovi, řka: Nevejdeš sem, leč odejmeš slepé a kulhavé, pravíce: Nevejdeť sem David.
6Nu trok de koning met zijn manschappen naar Jerusalem op, tegen de Jeboesieten, de inheemse bevolking. Dezen riepen tot David: Hier komt ge niet binnen; blinden en kreupelen zouden het u kunnen beletten! Daarmee bedoelden ze: David kan hier onmogelijk in.
7A však vzal David hrad Sion, toť jest město Davidovo.
7Maar David veroverde de Sionsvesting, de zogenaamde Davidstad.
8Nebo řekl David v ten den: Kdož by koli porazil Jebuzea, a zlezl by žlaby jeho, a pobil by ty slepé i chromé, kteréž má v nenávisti duše Davidova, knížetem bude. Protož pravili: Slepý a kulhavý nevejde do toho domu.
8Bij die gelegenheid sprak David: Wie het eerst de Jeboesieten verslaat, en door de tunnel daar binnendringt, wordt opperste bevelhebber, want David haat die blinden en kreupelen! Vandaar dat men zegt: Blinden en kreupelen komen niet binnen!
9I bydlil David na tom hradě, a nazval jej městem Davidovým; nebo vystavěl je David vůkol od Mello až do vnitřku.
9Daarna vestigde David zich in de vesting, die hij Davidstad noemde, en hij bouwde de stad in heel haar omvang van het Millo af tot het paleis.
10A tak David čím dále tím více prospíval a rostl, Hospodin zajisté, Bůh zástupů, byl s ním.
10David werd nu hoe langer hoe machtiger, daar Jahweh, de God der heirscharen, met hem was.
11Poslal také Chíram král Tyrský posly k Davidovi a dříví cedrového, i tesaře, kameníky a zedníky umělé, kteříž vystavěli dům Davidovi.
11Daarom zond Chirom, de koning van Tyrus, gezanten tot David; ook cederhout, timmerlieden en steenhouwers, om voor David een paleis te bouwen.
12I poznal David, že ho potvrdil Hospodin za krále nad Izraelem, a že zvýšil království jeho pro lid svůj Izraelský.
12Zo begreep David, dat Jahweh hem tot koning van Israël had bevestigd, en dat Hij zijn koningschap verheven had terwille van Israël, zijn volk.
13Nabral pak sobě David ještě více ženin i žen z Jeruzaléma, když byl přišel z Hebronu, a naplodilo se Davidovi ještě více synů a dcer.
13Nadat David uit Hebron gekomen was, nam hij ook in Jerusalem nog bij- en hoofdvrouwen, en kreeg nog meer zonen en dochters.
14A tato jsou jména těch, kteříž se jemu zrodili v Jeruzalémě: Sammua, Sobab, Nátan a Šalomoun;
14Hier volgen de namen van hen, die hem te Jerusalem geboren werden: Sjammóea, Sjobab, Natan en Salomon,
15Též Ibchar a Elisua, a Nefeg a Jafia;
15Jibchar, Elisjóea, Néfeg en Jafia,
16A Elisama a Eliada a Elifelet.
16Elisjama, Eljada en Elifélet.
17Uslyšavše pak Filistinští, že pomazali Davida za krále nad Izraelem, vytáhli všickni Filistinští hledati ho. Což když zvěděl David, sstoupil na místo hrazené.
17Maar toen de Filistijnen vernamen, dat men David tot koning van Israël had gezalfd, trokken alle Filistijnen op, om zich van David meester te maken. Bij het vernemen hiervan, trok David zich terug in de vesting.
18Protož Filistinští přitáhše, položili se v údolí Refaim.
18Toen de Filistijnen gekomen waren en zich over het dal der Refaïeten verspreid hadden,
19Tedy tázal se David Hospodina, řka: Potáhnu-li proti Filistinským? Vydáš-li je v ruku mou? Odpověděl Hospodin Davidovi: Táhni, neboť vydám jistotně Filistinské v ruku tvou.
19vroeg David aan Jahweh: Moet ik oprukken tegen de Filistijnen; zult Gij ze aan mij overleveren? Jahweh antwoordde David: Trek op; want Ik lever de Filistijnen aan u over.
20I přitáhl David do Balperazim, a porazil je tam, a řekl: Protrhlť jest Hospodin nepřátely mé přede mnou, jako vody protrhují břehy. Protož nazval jméno místa toho Balperazim.
20Zo kwam David bij Báal-Perasim; hij versloeg ze daar en zeide: Zoals water door een dam breekt, is Jahweh aan mijn spits door mijn vijanden heen gebroken! Vandaar dat die plaats Báal-Perasim heet.
21Nebo zanechali tu rytin svých, kteréž pobral David i muži jeho.
21De afgodsbeelden, die de Filistijnen in de steek gelaten hadden, namen David en zijn manschappen mee.
22Opět znovu vytáhli Filistinští, a rozprostřeli se v údolí Refaim.
22Toen de Filistijnen andermaal waren opgerukt en zich over het dal der Refaïeten hadden verspreid,
23I tázal se David Hospodina. Kterýž odpověděl: Netáhni, ale obejda je po zadu, teprv dotřeš na ně naproti moruším.
23raadpleegde David Jahweh opnieuw. Hij antwoordde: Val niet aan, maar maak een omtrekkende beweging naar hun achterhoede, en ga op hen af van de kant der balsemstruiken.
24A když uslyšíš, že šustí vrchové moruší, hneš se také; nebo tehdáž vyjde Hospodin před tebou, aby zbil vojska Filistinských.
24Als gij in de toppen der balsemstruiken het geruis van schreden verneemt, maak u dan ijlings gereed; want dan gaat Jahweh u vóór, om het leger der Filistijnen te verslaan.
25I učinil David tak, jakž mu přikázal Hospodin, a porazil Filistinské od Gabaa, až kudy se jde do Gázer.
25David deed juist zoals Jahweh het hem bevolen had, en hij versloeg de Filistijnen van Géba af, tot in de nabijheid van Gézer.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.