Matteus 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen verliet Jesus de tempel, en ging heen. Zijn leerlingen kwamen naar Hem toe, en wezen Hem op de tempelgebouwen.
1A vyšed Ježíš, bral se z chrámu; i přistoupili učedlníci jeho, aby ukázali jemu stavení chrámové.
2Maar Hij antwoordde hun: Ziet gij dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: Hier zal geen steen op de andere blijven, maar alles zal worden verwoest.
2Ježíš pak řekl jim: Vidíte-liž tyto všecky věci? Amen pravím vám: Nebude zůstaven tuto kámen na kameni, kterýž by nebyl zbořen.
3Terwijl Hij neerzat op de Olijfberg, kwamen de leerlingen alleen naar Hem toe, en zeiden: Zeg ons, wanneer dit gebeuren zal, en wat het teken zal zijn van uw komst en van het einde der wereld?
3A když se posadil na hoře Olivetské, přistoupili k němu učedlníci jeho soukromí, řkouce: Pověz nám, kdy to bude, a která znamení budou příchodu tvého a skonání světa?
4Jesus antwoordde hun: Past op, dat niemand u misleidt.
4I odpověděv Ježíš, řekl jim: Vizte, aby vás žádný nesvedl.
5Want velen zullen met mijn Naam optreden, en zeggen: Ik ben de Christus; en ze zullen er velen misleiden.
5Nebo mnozí přijdou ve jménu mém, řkouce: Jáť jsem Kristus, a svedouť mnohé.
6En gij zult horen van oorlogen en van oorlogsgeruchten. Past op, verschrikt er niet van; want dit moet allemaal gebeuren. maar het is het einde nog niet.
6Budete slyšeti zajisté boje a pověsti bojů. Hleďtež, abyste se nekormoutili; nebo musí to všecko býti; ale ne ihned bude konec.
7Volk zal opstaan tegen volk, en rijk tegen rijk; en er zal hongersnood zijn en aardbevingen hier en elders.
7Nebo povstane národ proti národu a království proti království, a budou morové a hladové a zemětřesení po místech.
8Maar dit alles is slechts het begin van de weeën.
8Ale tyto všecky věci jsou počátkové bolestí.
9Dan zal men u overleveren, om u te mishandelen en te doden; en gij zult een voorwerp zijn van haat bij alle volken terwille van mijn Naam.
9A tehdy vy budete souženi, a budou vás mordovati, a budete v nenávisti u všech národů pro jméno mé.
10Dan zullen velen zich ergeren, elkander verraden en haten.
10A tehdyť se zhorší mnozí a vespolek se budou zrazovati a nenáviděti.
11Ook tal van valse profeten zullen opstaan, en velen verleiden.
11A mnozí falešní proroci povstanou, a svedou mnohé.
12En omdat de ongerechtigheid dan de overhand neemt, zal de liefde van velen verkoelen.
12A že rozmnožena bude nepravost, ustydneť láska mnohých.
13Maar wie tot het einde toe heeft volhard, hij zal behouden worden.
13Ale kdož by setrval až do konce, tenť spasen bude.
14Doch eerst zal dit Evangelie van het rijk over heel de wereld worden verkondigd tot een getuigenis voor alle volkeren; dan zal het einde komen.
14A budeť kázáno toto evangelium království po všem světě, na svědectví všem národům, a tehdážť přijde skonání.
15Wanneer gij dus de gruwel der ontheiliging. waarvan de profeet Daniël heeft gesproken, in de heilige plaats zult zien staan—die het leest, begrijpe het! —
15Protož když uzříte ohavnost zpuštění, předpověděnou od Daniele proroka, ana stojí na místě svatém, (kdo čte, rozuměj,)
16laten zij die in Judea zijn, dan naar de bergen vluchten;
16Tehdáž ti, kteříž by byli v Judstvu, nechť utekou k horám.
17en wie op het dakterras is, dale niet af, om iets uit zijn huis mee te nemen;
17A kdo na střeše, nesstupuj dolů, aby něco vzal z domu svého.
18en wie op het veld is, kere niet terug, om zijn kleed te gaan halen.
18A kdo na poli, nevracuj se zase, aby vzal roucha svá.
19Wee in die dagen de zwangere en zogende vrouwen!
19Běda pak těhotným a těm, kteréž kojí, v těch dnech.
20Bidt toch, dat uw vlucht niet in de winter geschiedt, of op een sabbat.
20Protož modlte se, aby utíkání vaše nebylo v zimě anebo v svátek.
21Want er zal grote ellende zijn, zoals er nog nooit is geweest van het begin der wereld af tot heden toe, en zoals er ook nooit meer zal zijn.
21Nebo bude tehdáž soužení veliké, jakéž nebylo od počátku světa až dosavad, aniž kdy potom bude.
22En zo die dagen niet werden verkort, geen mens bleef behouden; maar om de uitverkorenen zullen die dagen worden verkort.
22A byť nebyli ukráceni dnové ti, nebyl by spasen nižádný člověk. Ale pro vyvolené ukráceni budou dnové ti.
23Als dan iemand u zegt: Ziet, hier is de Christus, of ginds; gelooft het niet.
23Tehdy řekl-li by vám kdo: Aj, tutoť jest Kristus, anebo tamto, nevěřte.
24Want er zal menig valse-christus opstaan en tal van valse profeten. Ze zullen grote tekenen en wonderen verrichten, zodat, als het mogelijk was, ze zelfs de uitverkorenen zouden misleiden.
24Nebo povstanou falešní Kristové a falešní proroci, a činiti budou divy veliké a zázraky, tak aby v blud uvedli, (by možné bylo,) také i vyvolené.
25Ziet, Ik heb het u voorspeld.
25Aj, předpověděl jsem vám.
26Dus, als men u zegt: Ziet, hij is in de woestijn, gaat er niet heen; ziet, hij is in de binnenkamers, gelooft het niet.
26Protož řeknou-liť vám: Aj, na poušti jest, nevycházejte. Aj, v skrýších, nevěřte.
27Want zooals de bliksem uitschiet van het oosten, en flitst tot het westen: zo zal ook de komst van den Menschenzoon zijn.
27Neb jakož blesk vychází od východu slunce, a ukazuje se až na západ, takť bude i příchod Syna člověka.
28En waar dan het aas ligt, daar zullen zich ook de gieren verzamelen.
28Neboť kdežkoli bude tělo, tuť se sletí i orlice.
29En terstond na de kwelling dier dagen zal de zon worden verduisterd, en de maan geen licht meer geven; de sterren zullen van de hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen worden geschokt.
29A hned po soužení, kteréž bude těch dnů, slunce se zatmí a měsíc nedá světla svého a hvězdy budou padati s nebe a moci nebeské budou se pohybovati.
30Dan zal het teken van den Mensenzoon aan de hemel verschijnen; dan zullen alle geslachten der aarde jammeren, en den Mensenzoon op de wolken des hemels zien komen met grote macht en majesteit.
30A tehdyť se ukáže znamení Syna člověka na nebi, a tuť budou kvíliti všecka pokolení země, a uzříť Syna člověka přicházejícího na oblacích nebeských s mocí a slavou velikou.
31Dan zal Hij zijn engelen zenden met luid schallende bazuinen; en ze zullen van de vier windstreken zijn uitverkorenen verzamelen, van het éne einde des hemels tot aan het andere.
31Kterýž pošle anděly své s hlasem velikým trouby, a shromáždíť vyvolené jeho ode čtyř větrů, od končin nebes až do končin jejich.
32Leert van de vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak al zacht is geworden en de bladeren al ontspruiten, dan weet ge, dat de zomer nabij is;
32Od stromu pak fíkového naučte se podobenství: Když již ratolest jeho odmladne a listí se pučí, porozumíváte, že blízko jest léto.
33zo ook wanneer gij dit alles ziet, weet dan, dat het dicht voor de deur staat.
33Takéž i vy, když uzřeli byste toto všecko, vězte, žeť blízko jest a ve dveřích království Boží.
34Voorwaar, Ik zeg u: Dit geslacht gaat niet voorbij, eer dit alles is geschied.
34Amen pravím vám, že nepomine věk tento, až se tyto všecky věci stanou.
35Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen niet voorbijgaan.
35Nebe a země pominou, ale slova má nepominou.
36Maar van die dag en dat uur weet niemand iets af, zelfs de engelen in de hemel niet; maar de Vader alleen.
36O tom pak dni a hodině té nižádný neví, ani andělé nebeští, jediné sám Otec můj.
37Zoals het was in de dagen van Noë, zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn.
37Ale jakož bylo za dnů Noé, takť bude i příchod Syna člověka.
38Zoals men toch in de dagen vóór de zondvloed at en dronk, huwde en uithuwde, tot op de dag, waarop Noë de ark binnenging:
38Nebo jakož jsou za dnů těch před potopou žrali a pili, ženili se a vdávaly se, až do toho dne, když Noé všel do korábu,
39en zoals men er geen acht op sloeg, totdat de zondvloed kwam en allen verzwolg, zo zal ook de komst van den Mensenzoon zijn.
39A nezvěděli, až přišla potopa, a zachvátila všecky, takť bude i příští Syna člověka.
40Dan zullen er twee zijn op de akker: de één wordt opgenomen, de ander achtergelaten;
40Tehdyť dva budou na poli; jeden bude vzat, a druhý zanechán.
41twee zullen er met de handmolen malen, de één wordt opgenomen, de ander achtergelaten.
41Dvě budou ve mlýně při žernovu; jedna bude vzata, a druhá zanechána.
42Waakt dus, omdat gij niet weet, op welke dag uw Heer zal komen.
42Bdětež tedy, poněvadž nevíte, v kterou hodinu Pán váš přijíti má.
43Dit weet gij wel: zo een huisvader wist, op welk uur de dief zou komen, dan zou hij zeker wakker blijven en niet laten inbreken in zijn huis.
43Toto pak vězte, že byť věděl hospodář, v které by bdění zloděj měl přijíti, bděl by zajisté, a nedalť by podkopati domu svého.
44Weest ook gij dus bereid, want de Mensenzoon komt op een onverwacht uur.
44Protož i vy buďte hotovi; nebo v tu hodinu, v kterouž se nenadějete, Syn člověka přijde.
45Wie is nu de trouwe en voorzichtige knecht, dien de meester over zijn ondergeschikten heeft gesteld. om hun spijs te geven te rechter tijd?
45Kdoť tedy jest služebník věrný a opatrný, kteréhož ustanovil pán jeho nad čeledí svou, aby jim dával pokrm v čas?
46Gelukkig de knecht, dien de heer bij zijn komst daarmee bezig zal vinden.
46Blahoslavený služebník ten, kteréhož, přijda pán jeho, nalezl by, an tak činí.
47Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal hem stellen over heel zijn bezit.
47Amen pravím vám, že nade vším statkem svým ustanoví jej.
48Maar zo die dienaar slecht is, en denkt bij zichzelf:
48Jestliže by pak řekl zlý služebník ten v srdci svém: Prodlévá pán můj přijíti,
49“Mijn heer komt nog lang niet,” zo hij zijn medeknechten gaat slaan, en met de dronkaards eet en drinkt,
49I počal by bíti spoluslužebníky, jísti a píti s opilci,
50dan zal de heer van dien knecht komen op een dag, waarop hij het niet verwacht, en op een uur, dat hij niet kent.
50Přijdeť pán služebníka toho v den, v kterýž se nenaděje, a v hodinu, v kterouž neví.
51En hij zal hem in stukken houwen, en hem het lot der huichelaars doen delen: daar zal geween zijn en gekners der tanden.
51I oddělíť jej, a díl jeho položí s pokrytci. Tamť bude pláč a škřipení zubů.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.