Matteus 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1In die tijd drong de faam van Jesus tot den viervorst Herodes door.
1V tom čase uslyšel Herodes čtvrták pověst o Ježíšovi.
2En hij zei tot zijn dienaars: Het is Johannes de Doper; hij is opgestaan van de doden, en daarom werken die krachten in hem.
2I řekl služebníkům svým: To jest Jan Křtitel. Onť jest vstal z mrtvých, a protož se divové dějí skrze něho.
3Herodes namelijk had Johannes gegrepen, in boeien geslagen, en in de gevangenis geworpen naar aanleiding van Heródias, de vrouw van Filippus, zijn broer.
3Nebo Herodes byl jal Jana a svázal jej a dal do žaláře pro Herodiadu manželku Filipa bratra svého.
4Want Johannes had hem gezegd: Ge moogt haar niet behouden.
4Nebo byl řekl jemu Jan: Nesluší tobě míti jí.
5Hij wilde hem ter dood brengen, maar hij was bang voor het volk; want men hield hem voor een profeet.
5A chtěv zabíti jej, bál se lidu; nebo za proroka jej měli.
6Maar op de verjaardag van Herodes danste de dochter van Heródias in het midden der feestzaal, en ze behaagde aan Herodes.
6Když pak slaven byl den narození Herodesova, tancovala dcera Herodiady uprostřed hodovníků, i líbilo se to Herodesovi,
7Daarom beloofde hij met een eed, haar alles te zullen geven, wat ze hem vragen zou.
7Tak že s přísahou zaslíbil jí dáti, zač by ho prosila.
8En zij, door haar moeder opgestookt, sprak: Geef me het hoofd van Johannes den Doper hier op een schotel.
8A ona jsuci prve navedena od mateře své, řekla: Dej mi zde na míse hlavu Jana Křtitele.
9Wel had de koning er spijt van, maar om de eed en om de gasten beval hij toch, het te geven.
9I zarmoutil se král, ale pro přísahu a pro ty, kteříž spolu s ním stolili, rozkázal jí dáti.
10Hij stuurde iemand weg, om Johannes in de kerker te onthoofden.
10A poslav kata, sťal Jana v žaláři.
11Zijn hoofd werd op een schotel gebracht, en aan het meisje gegeven, dat het aanbood aan haar moeder.
11I přinesena jest hlava jeho na míse, a dána děvečce. A ona nesla ji mateři své.
12Zijn leerlingen kwamen het lichaam halen, begroeven het, en gingen het Jesus berichten.
12A přišedše učedlníci jeho, vzali tělo jeho a pochovali je; a šedše, pověděli to Ježíšovi.
13Op deze tijding vertrok Jesus in een boot naar een woeste plaats in de eenzaamheid. Maar de scharen hoorden het, en gingen Hem uit de steden te voet achterna.
13A uslyšev to Ježíš, plavil se odtud na lodičce na místo pusté soukromí. A uslyševše o tom zástupové, šli za ním pěšky z měst.
14Toen Hij dus te voorschijn trad, zag Hij een talrijke menigte; Hij had medelijden met hen, en genas hun zieken.
14A vyšed Ježíš, uzřel zástup mnohý. I slitovalo mu se jich, a uzdravoval nemocné jejich.
15Tegen het vallen van de avond kwamen zijn leerlingen, en zeiden tot Hem: Deze plaats is woest, en het is reeds laat geworden; stuur de menigte weg, dan kunnen ze naar de dorpen gaan, en zich levensmiddelen kopen.
15A když bylo k večerou, přistoupili k němu učedlníci jeho, řkouce: Pusté jest místo toto, a čas již pominul. Rozpusť zástupy, ať jdouce do městeček, nakoupí sobě pokrmů.
16Maar Jesus sprak tot hen: Ze behoeven niet te gaan; geeft gij hun te eten.
16Ježíš pak řekl jim: Není potřebí odcházeti, dejte vy jim jísti.
17Ze antwoordden: We hebben hier slechts vijf broden en twee vissen.
17A oni řkou jemu: Nemáme zde, než pět chlebů a dvě rybě.
18Hij zei hun: Brengt ze Mij hier.
18Kterýžto dí jim: Přinestež mi je sem.
19En nadat Hij de scharen bevolen had, zich neer te zetten op het gras, nam Hij de vijf broden en de twee vissen, zag op ten hemel en sprak er de zegen over uit: Hij brak de broden en gaf ze aan de leerlingen, en de leerlingen gaven ze aan het volk.
19A rozkázav zástupu posaditi se na trávě a vzav pět chlebů a dvě rybě, vzhléd v nebe, požehnal, a lámaje, dal učedlníkům chleby, a učedlníci zástupům.
20Allen aten. en werden verzadigd. En ze verzamelden het overschot der brokken: twaalf korven vol.
20I jedli všickni a nasyceni jsou. I sebrali pozůstalých drobtů, dvanácte košů plných.
21Het waren ongeveer vijfduizend mannen, die hadden gegeten, behalve nog de vrouwen en kinderen.
21Těch pak, kteříž jedli, bylo okolo pěti tisíců mužů, kromě žen a dětí.
22Onmiddellijk daarna dwong Hij zijn leerlingen scheep te gaan, en vóór Hem uit naar de overkant over te steken; intussen zond Hij de menigte heen.
22A ihned přinutil učedlníky své, aby vstoupili na lodí a předešli jej za moře, dokudž by nerozpustil zástupů.
23En nadat Hij het volk had heengezonden, besteeg Hij de berg, om in de eenzaamheid te bidden. Die avond bleef Hij daar alleen.
23A rozpustiv zástupy, vstoupil na horu soukromí, aby se modlil. A když byl večer, sám byl tam.
24Toen de boot reeds meerdere stadiën van de kust was verwijderd, werd ze door de golven geteisterd; want de wind was tegen.
24Lodí pak již byla uprostřed moře, zmítající se vlnami, nebo byl vítr odporný jim.
25Maar in de vierde nachtwaak kwam Hij naar hen toe, wandelend op het meer.
25Při čtvrtém pak bdění nočním bral se k nim Ježíš, jda po moři.
26De leerlingen, die Hem over het meer zagen wandelen, werden ontsteld, en zeiden: Het is een spook. En ze gilden van angst.
26A vidouce jej učedlníci po moři jdoucího, zarmoutili se, řkouce: Obluda jest. A strachem křičeli.
27Aanstonds sprak Jesus hen toe, en zeide: Weest gerust, Ik ben het; vreest niet.
27Ale ihned Ježíš promluvil k nim, řka: Doufejtež, jáť jsem, nebojte se.
28Petrus antwoordde: Heer, zo Gij het zijt, beveel mij dan, over het water tot U te komen.
28I odpověděv Petr, řekl: Pane, jsi-li ty, rozkažiž mi k sobě přijíti po vodě.
29Hij sprak: Kom! Petrus klom uit de boot, en wandelde over het water, om bij Jesus te komen.
29A on řekl: Pojď. A vystoupiv Petr z lodí, šel po vodě, aby přišel k Ježíšovi.
30Maar bij het zien van de geweldige storm werd hij bang, en riep, toen hij begon te zinken: Heer, red mij!
30Ale vida vítr tuhý, bál se. A počav tonouti, zkřikl, řka: Pane, pomoz mi.
31Aanstonds stak Jesus de hand uit, greep hem vast, en sprak: Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?
31A ihned Ježíš vztáh ruku, ujal jej a řekl jemu: Malé víry, pročežs pochyboval?
32En toen zij in de boot waren geklommen, bedaarde de wind.
32A jakž oni vstoupili na lodí, přestal vítr.
33Nu wierpen zij, die in het vaartuig waren, zich voor Hem neer, en zeiden: Waarachtig, Gij zijt de Zoon van God.
33Ti pak, kteříž na lodí byli, přistoupivše, klaněli se jemu, řkouce: Jistě Syn Boží jsi.
34Toen zij de overkant hadden bereikt, gingen zij naar het land van Gennézaret.
34A přeplavivše se, přišli do země Genezaretské.
35Zodra de lieden dier plaats Hem herkenden, zonden ze bericht in heel de omtrek, en brachten alle zieken naar Hem toe.
35A poznavše jej muži místa toho, rozeslali po vší té krajině vůkol, a shromáždili k němu všecky neduživé.
36Ze vroegen Hem, enkel de zoom van zijn kleed te mogen aanraken. En allen, die Hem aanraakten, werden genezen.
36A prosili ho, aby se aspoň podolka roucha jeho dotkli. A kteřížkoli dotkli se, uzdraveni jsou.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.