Leviticus
Chapter 4
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Londona Biblio (Es…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Jahweh sprak tot Moses:
1Kaj la Eternulo ekparolis al Moseo, dirante:
2Zeg aan de Israëlieten: Wanneer iemand zonder opzet een fout begaat, en iets doet, wat Jahweh verboden heeft, geldt het volgende:
2Diru al la Izraelidoj jene: Se iu pekos per eraro kontraŭ la ordonoj de la Eternulo, malpermesantaj fari diversajn aferojn, kaj li faros iun el ili;
3Wanneer de gezalfde priester zondigt, en zo schuld op het volk laadt, moet hij als zondeoffer voor wat hij verkeerd heeft gedaan, een gaven jongen stier aan Jahweh offeren.
3se pastro sanktoleita pekos, ĵetante kulpon sur la popolon, tiam li alportu pro sia peko, kiun li pekis, bovidon sendifektan al la Eternulo, kiel oferon propekan.
4Hij moet den stier aan de ingang van de openbaringstent voor het aanschijn van Jahweh brengen, zijn hand op de kop van den stier leggen, en den stier voor het aanschijn van Jahweh slachten.
4Li venigu la bovidon al la pordo de la tabernaklo de kunveno antaŭ la Eternulon, kaj li metu sian manon sur la kapon de la bovido, kaj li buĉu la bovidon antaŭ la Eternulo.
5Vervolgens moet de gezalfde priester wat bloed van den stier nemen, het binnen de openbaringstent brengen,
5Kaj la sanktoleita pastro prenu iom el la sango de la bovido kaj enportu ĝin en la tabernaklon de kunveno.
6zijn vinger in het bloed dopen, en zeven maal voor het aanschijn van Jahweh voor het voorhangsel van het heiligdom wat bloed sprenkelen.
6Kaj la pastro trempu sian fingron en la sango, kaj aspergu per la sango sepfoje antaŭ la Eternulo, antaŭ la kurteno de la sanktejo.
7Daarna moet de priester wat van dat bloed aan de hoornen van het reukofferaltaar strijken, dat voor het aanschijn van Jahweh in de openbaringstent staat, en de rest van het bloed van den stier uitstorten tegen het voetstuk van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de openbaringstent staat.
7Kaj la pastro metu iom el la sango sur la kornojn de la altaro de bonodora incenso antaŭ la Eternulo en la tabernaklo de kunveno, kaj la tutan ceteran sangon de la bovido li elverŝu ĉe la bazo de la altaro de bruloferoj, kiu estas ĉe la pordo de la tabernaklo de kunveno.
8Al het vet van den stier, die als zondeoffer geldt, moet hij eruit nemen: het vet, dat de ingewanden bedekt met al het vet, dat aan de ingewanden vastzit;
8Kaj la tutan sebon de la propeka bovido li forlevu el ĝi, la sebon, kiu kovras la internaĵojn, kaj la tutan sebon, kiu estas sur la internaĵoj,
9de beide nieren met het vet, dat daaromheen in de lenden zit, en de kwab aan de lever, die hij met de nieren moet wegnemen,
9kaj ambaŭ renojn, kaj la sebon, kiu estas sur ili, kiu estas ĉe la lumbo, kaj la reton sur la hepato, kune kun la renoj li ĝin apartigu,
10zoals bij den stier van het vredeoffer geschiedt. De priester moet dat op het brandofferaltaar in rook doen opgaan.
10tiel same, kiel estas forlevata pacofero el bovo; kaj la pastro bruligu tion sur la altaro de bruloferoj.
11De huid van den stier met al het vlees, zijn kop, poten en darmen,
11Kaj la felon de la bovido kaj ĝian tutan viandon kun ĝia kapo kaj kruroj kaj ĝiajn internaĵojn kaj malpuraĵon,
12dus de rest van den stier, moet hij buiten de legerplaats naar een reine plek laten brengen, waar de as wordt gestort, en op een houtstapel verbranden; op de plek, waar de as wordt gestort, moet het worden verbrand.
12la tutan bovidon li elportu ekster la tendaron sur puran lokon, kien oni ŝutas la cindron, kaj li forbruligu tion sur ligno per fajro; sur la cindrejo tio estu forbruligata.
13Wanneer heel de gemeenschap van Israël een fout begaat, zonder dat de gemeente het opzettelijk deed, en zij iets hebben gedaan, wat Jahweh verboden heeft, en dus schuldig zijn geworden;
13Kaj se la tuta komunumo de la Izraelidoj pekos per eraro kaj la afero estos kaŝita antaŭ la okuloj de la anaro, kaj ili faros iun el la agoj, kiujn la Eternulo malpermesis, kaj ili fariĝos kulpaj;
14dan moet de gemeente, zodra ze zich van de overtreding bewust wordt, een stier als zondeoffer opdragen. Zij moeten dien voor de openbaringstent brengen;
14kaj ili sciiĝos pri la peko, kiun ili pekis: tiam la anaro alportu bovidon kiel propekan oferon kaj venigu ĝin antaŭ la tabernaklon de kunveno.
15de oudsten van de gemeenschap moeten voor het aanschijn van Jahweh hun handen op de kop van den stier leggen, en den stier voor het aanschijn van Jahweh slachten.
15Kaj la plejaĝuloj de la komunumo metu siajn manojn sur la kapon de la bovido antaŭ la Eternulo, kaj oni buĉu la bovidon antaŭ la Eternulo.
16Vervolgens moet de gezalfde priester wat bloed van den stier binnen de openbaringstent brengen;
16Kaj la sanktoleita pastro enportu iom el la sango de la bovido en la tabernaklon de kunveno.
17de priester moet zijn vinger in het bloed dopen en zeven maal voor het aanschijn van Jahweh voor het voorhangsel sprenkelen.
17Kaj la pastro trempu sian fingron en la sango, kaj aspergu sep fojojn antaŭ la Eternulo, antaŭ la kurteno.
18Daarna moet hij wat van dat bloed aan de hoornen van het altaar strijken, dat voor het aanschijn van Jahweh in de openbaringstent staat, en de rest van het bloed uitstorten tegen het voetstuk van het brandofferaltaar, dat bij de ingang van de openbaringstent staat.
18Kaj iom el la sango li metu sur la kornojn de la altaro, kiu estas antaŭ la Eternulo en la tabernaklo de kunveno, kaj la tutan ceteran sangon li elverŝu ĉe la bazo de la altaro de bruloferoj, kiu estas ĉe la pordo de la tabernaklo de kunveno.
19Al het vet moet hij er uitnemen, en op het altaar in rook doen opgaan.
19Kaj ĝian tutan sebon li forlevu el ĝi kaj bruligu sur la altaro.
20Verder moet hij met den stier doen, zoals hij met den stier van het zondeoffer gedaan heeft. Zo zal de priester verzoening voor hen verkrijgen en zal hun vergiffenis worden geschonken.
20Kaj li faru kun la bovido; kiel li faris kun la propeka bovido, tiel li faru kun ĝi; kaj pekliberigos ilin la pastro, kaj estos pardonite al ili.
21Hij moet den stier buiten de legerplaats laten brengen en hem verbranden, zoals hij den vorigen stier heeft verbrand. Dit is het zondeoffer voor de gemeente.
21Kaj li elportu la bovidon ekster la tendaron, kaj forbruligu ĝin, kiel li forbruligis la unuan bovidon; ĝi estas propeka ofero de la komunumo.
22Wanneer een stamhoofd een overtreding begaat, en zonder opzet tegen een of ander gebod van Jahweh, zijn God, misdoet, en dus schuld op zich laadt,
22Se princo pekos, kaj per eraro faros iun el la agoj, kiujn la Eternulo, lia Dio, malpermesis fari, kaj li fariĝos kulpa;
23moet hij, zodra hij zich zijn overtreding bewust wordt, een geitebok zonder gebrek als offer opdragen.
23kaj li sciiĝos pri sia peko, kiun li pekis: tiam li alportu kiel sian oferon virkapron sendifektan.
24Hij moet zijn hand op de kop van den bok leggen en dien slachten op de plaats, waar men voor het aanschijn van Jahweh het brandoffer slacht; het is een zondeoffer.
24Kaj li metu sian manon sur la kapon de la kapro, kaj buĉu ĝin sur la loko, sur kiu estas buĉataj bruloferoj antaŭ la Eternulo; ĝi estas propeka ofero.
25Vervolgens moet de priester met zijn vinger wat bloed van het zondeoffer nemen, het aan de hoornen van het brandofferaltaar strijken, en het bloed uitstorten tegen het voetstuk van het brandofferaltaar.
25Kaj la pastro prenos iom el la sango de la propeka ofero per sia fingro, kaj li metos ĝin sur la kornojn de la altaro de bruloferoj, kaj la ceteran sangon li elverŝos ĉe la bazo de la altaro de bruloferoj.
26Al het vet moet hij op het altaar in rook doen opgaan, zoals met het vet van het vredeoffer geschiedt. Zo zal de priester voor hem verzoening voor zijn zonde verkrijgen, en zal hem vergiffenis worden geschonken.
26Kaj ĝian tutan sebon li bruligos sur la altaro, kiel la sebon de pacofero; kaj la pastro liberigos lin de lia peko, kaj estos pardonite al li.
27Wanneer iemand van het gewone volk zonder opzet een overtreding begaat, door tegen een der geboden van Jahweh te handelen, en dus schuld op zich laadt,
27Se iu el la popolo per eraro pekos, farante iun el la agoj, kiujn la Eternulo malpermesis, kaj li fariĝos kulpa;
28moet hij, zodra hij zich zijn overtreding bewust wordt, voor zijn begane fout een geit zonder gebrek als offer brengen.
28kaj li sciiĝos pri sia peko, kiun li pekis: tiam li alportu kiel sian oferon kaprinon sendifektan pro sia peko, kiun li pekis.
29Hij moet zijn hand op de kop van het zondeoffer leggen, en het slachten op de plaats, waar men het brandoffer slacht.
29Kaj li metu sian manon sur la kapon de la propeka ofero, kaj li buĉu la propekan oferon sur la loko de la bruloferoj.
30Vervolgens moet de priester met zijn vinger wat van haar bloed nemen, het aan de hoornen van het brandofferaltaar strijken, en de rest van het bloed uitstorten tegen het voetstuk van het altaar.
30Kaj la pastro prenos iom el ĝia sango per sia fingro kaj metos sur la kornojn de la altaro de bruloferoj, kaj la tutan ceteran sangon li elverŝos ĉe la bazo de la altaro.
31Al het vet moet hij er uitnemen, zoals met het vet van het vredeoffer geschiedt, en de priester moet het op het altaar in rook doen opgaan als een welriekend offer voor Jahweh. Zo zal de priester verzoening voor hem verkrijgen en zal hem vergiffenis worden geschonken.
31Kaj ĝian tutan sebon li apartigos, kiel estas apartigata la sebo de la pacoferoj, kaj la pastro bruligos ĝin sur la altaro, kiel agrablan odoraĵon al la Eternulo; kaj la pastro pekliberigos lin, kaj estos pardonite al li.
32Wanneer iemand voor zijn overtreding een lam wil offeren, moet hij een gaaf ooilam offeren.
32Se ŝafon li alportos kiel sian propekan oferon, li alportu virinseksan, sendifektan.
33Hij moet zijn hand op de kop van het zondeoffer leggen, en het als zondeoffer slachten op de plaats, waar men het brandoffer slacht.
33Kaj li metu sian manon sur la kapon de la propeka ofero, kaj buĉu ĝin kiel propekan oferon sur la loko, kie oni buĉas bruloferon.
34Vervolgens moet de priester met zijn vinger wat van het bloed van het zondeoffer nemen, het aan de hoornen van het brandofferaltaar strijken, en de rest van het bloed uitstorten tegen het voetstuk van het altaar.
34Kaj la pastro prenos per sia fingro iom el la sango de la propeka ofero kaj metos ĝin sur la kornojn de la altaro de bruloferoj, kaj ĝian tutan ceteran sangon li elverŝos ĉe la bazo de la altaro.
35Al het vet moet hij er uitnemen, zoals met het vet van het lam voor een vredeoffer geschiedt en de priester moet het op het altaar in rook doen opgaan, tegelijk met de vuuroffers van Jahweh. Zo zal de priester voor hem verzoening voor zijn overtreding verkrijgen en zal hem vergiffenis worden geschonken.
35Kaj ĝian tutan sebon li apartigos, kiel estas apartigata la sebo de la ŝafo el la pacoferoj, kaj la pastro bruligos ĝin sur la altaro kun la fajroferoj al la Eternulo; kaj la pastro liberigos lin de la peko, kiun li pekis, kaj estos pardonite al li.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.