Jeremia 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1Jahweh schonk mij een visioen: Zie, daar stonden twee manden met vijgen voor de tempel van Jahweh. Het gebeurde, nadat Nabukodonosor, de koning van Babel, Jekonias, den zoon van Jojakim en koning van Juda, met de magistraten van Juda en de smeden en bankwerkers uit Jerusalem had weggevoerd en naar Babel gebracht.
1巴比倫 王 尼布甲尼撒 將 猶大 王 約雅敬 的兒子 耶哥尼雅 和 猶大 的首領,並工匠、鐵匠從 耶路撒冷 擄去,帶到 巴比倫 。這事以後,耶和華指給我看,有兩筐無花果放在耶和華的殿前。
2In de ene mand waren uitstekende vijgen als van de eerste pluk; in de andere mand heel slechte vijgen, te slecht om te eten.
2一筐是極好的無花果,好像是初熟的;一筐是極壞的無花果,壞得不可吃。
3En Jahweh zeide tot mij: Jeremias, wat ziet ge? Ik antwoordde: Vijgen; de goede vijgen zijn uitstekend, en de slechte zijn bijzonder slecht, te slecht om te eten.
3於是耶和華問我說:「 耶利米 你看見甚麼?」我說:「我看見無花果,好的極好,壞的極壞,壞得不可吃。」
4Toen werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
4耶和華的話臨到我說:「
5Zo spreekt Jahweh, Israëls God: Zoals men deze goede vijgen beziet, Zo zal Ik de ballingen van Juda, Die Ik uit deze plaats heb verbannen Naar het land der Chaldeën, goedgunstig aanzien.
5耶和華- 以色列 的上帝如此說:被擄去的 猶大 人,就是我打發離開這地到 迦勒底 人之地去的,我必看顧他們如這好無花果,使他們得好處。
6Ik zal een genadige blik op hen werpen, En breng ze weer terug in dit land; Ik bouw ze op, en breek ze niet af, Ik plant ze, en ruk ze niet uit.
6我要眷顧他們,使他們得好處,領他們歸回這地。我也要建立他們,必不拆毀;栽植他們,並不拔出。
7Ik schenk hun een hart, om te erkennen, Dat Ik Jahweh ben; Zij zullen mijn volk, Ik zal hun God zijn, Wanneer ze zich van ganser harte tot Mij bekeren.
7我要賜他們認識我的心,知道我是耶和華。他們要作我的子民,我要作他們的上帝,因為他們要一心歸向我。」
8Maar zoals met slechte vijgen, Te slecht om te eten, spreekt Jahweh: Zo zal Ik handelen met Sedekias, den koning van Juda, Met al zijn vorsten en die in Jerusalem werden gespaard, Die in dit land zijn achtergebleven, Of die in Egypteland wonen.
8耶和華如此說:「我必將 猶大 王 西底家 和他的首領,以及剩在這地 耶路撒冷 的餘民,並住在 埃及 地的 猶大 人都交出來,好像那極壞、壞得不可吃的無花果。
9Ik maak ze ten afschrik Voor alle koninkrijken der aarde, Tot smaad en spreekwoord, tot spot en vloek Op alle plaatsen, waar Ik ze heendrijf;
9我必使他們交出來,在天下萬國中拋來拋去,遭遇災禍;在我趕逐他們到的各處成為凌辱、笑談、譏刺、咒詛。
10Ik laat het zwaard op hen los, Met honger en pest, Tot ze zijn uitgeroeid uit het land, Dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven!
10我必使刀劍、饑荒、瘟疫臨到他們,直到他們從我所賜給他們和他們列祖之地滅絕。」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.