Jeremia 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1Israël, zo ge u waarachtig bekeert, Moogt ge u weer tot Mij wenden, spreekt Jahweh; En wanneer ge uw gruwelen wegdoet, Hoeft ge mijn aanschijn niet langer te vluchten.
1耶和華說: 以色列 啊, 你若回來歸向我, 若從我眼前除掉你可憎的 偶像 , 你就不被遷移。
2Wanneer ge zweert: “Bij het leven van Jahweh!” En ge doet het waarachtig, eerlijk, oprecht: Dan zullen de volkeren in u zich zegenen, In u zich beroemen.
2你必憑誠實、公平、公義, 指着永生的耶和華起誓; 列國必因耶和華稱自己為有福, 也必因他誇耀。
3Want zo spreekt Jahweh Tot de mannen van Juda en Jerusalem: Ge moet een nieuw land gaan ontginnen, Niet langer tussen doornen zaaien.
3耶和華對 猶大 和 耶路撒冷 人如此說: 要開墾你們的荒地, 不要撒種在荊棘中。
4Besnijdt u voor Jahweh, uw God, Neemt de voorhuid weg van uw hart: Mannen van Juda, Bewoners van Jerusalem!
4猶大 人和 耶路撒冷 的居民哪, 你們當自行割禮,歸耶和華, 將心裏的污穢除掉; 恐怕我的忿怒因你們的惡行發作, 如火着起, 甚至無人能以熄滅!
5Anders laait mijn gramschap op als een vuur, Verbrandt, en niemand kan blussen, Om de boosheid van uw werken: Is de godsspraak van Jahweh! Roept het in Juda, meldt het in Jerusalem, Blaast de bazuin in het land; Schreeuwt het overal uit: Verzamelt u; We vluchten de versterkte steden in!
5你們當傳揚在 猶大 , 宣告在 耶路撒冷 說: 你們當在國中吹角,高聲呼叫說: 你們當聚集! 我們好進入堅固城!
6Neemt de banier op en vlucht naar de Sion, Redt u, en houdt u niet op; Want uit het noorden laat Ik een onheil komen, Een ontzettende ramp!
6應當向 錫安 豎立大旗。 要逃避,不要遲延, 因我必使災禍與大毀滅從北方來到。
7De leeuw is uit zijn struiken gesprongen, De volkenverslinder is opgerukt uit zijn hol, Om uw land tot een steppe te maken, Uw steden te verwoesten en te ontvolken.
7有獅子從密林中上來, 是毀壞列國的。 牠已經動身出離本處, 要使你的地荒涼, 使你的城邑變為荒場無人居住。
8Kleedt u in zakken, Jammert en huilt; Want Jahweh’s ziedende gramschap Wijkt niet van ons.
8因此,你們當腰束麻布,大聲哀號, 因為耶和華的烈怒沒有向我們轉消。
9Op die dag: is de godsspraak van Jahweh: Zullen koning en vorsten radeloos staan, De priesters wanhopig, De profeten ontsteld.
9耶和華說:「到那時,君王和首領的心都要消滅;祭司都要驚奇,先知都要詫異。」
10Ze roepen: Ach Jahweh, mijn Heer, Gij hebt dus dit volk en Jerusalem bedrogen. Gij hebt gezegd: Ge zult vrede hebben; En het zwaard bedreigt nu ons leven.
10我說:「哀哉!主耶和華啊,你真是大大地欺哄這百姓和 耶路撒冷 ,說:『你們必得平安。』其實刀劍害及性命了。」
11In die tijd zal men roepen Tot dit volk en Jerusalem: Een verschroeiende wind uit de dorre woestijn Breekt los op de dochter van mijn volk.
11那時,必有話對這百姓和 耶路撒冷 說:「有一陣熱風從曠野淨光的高處向我的眾民颳來,不是為簸揚,也不是為揚淨。
12Niet om te wannen, niet om te ziften: Een rukwind komt, door Mij gestuurd; Want nu is de beurt aan Mij gekomen, Om hun vonnis te vellen.
12必有一陣更大的風從這些地方為我颳來;現在我又必發出判語,攻擊他們。」
13Zie, als onweerswolken daagt hij op, Als een wervelwind rollen zijn wagens, Vlugger dan adelaars rennen zijn paarden: Wee ons, we zijn verloren!
13看哪,仇敵必如雲上來; 他的戰車如旋風, 他的馬匹比鷹更快。 我們有禍了! 我們敗落了!
14Jerusalem, reinig uw hart toch van boosheid, Opdat ge nog redding moogt vinden. Hoe lang toch zullen in uw borst Uw zondige gedachten nog wonen?
14耶路撒冷 啊,你當洗去心中的惡, 使你可以得救。 惡念存在你心裏要到幾時呢?
15Hoort; een tijding uit Dan, Een ongeluksbode uit Efraïms bergen!
15有聲音從 但 傳揚, 從 以法蓮山 報禍患。
16Meldt het aan Sion: “Daar zijn ze!” Bericht het in Jerusalem! Belegeraars komen uit verre landen, Heffen hun strijdkreet aan tegen de steden van Juda,
16你們當傳給列國, 報告攻擊 耶路撒冷 的事說: 有探望的人從遠方來到, 向 猶大 的城邑大聲吶喊。
17Omsingelen het als veldbewakers: Omdat het Mij heeft getart, is de godsspraak van Jahweh!
17他們周圍攻擊 耶路撒冷 , 好像看守田園的, 因為她背叛了我。 這是耶和華說的。
18Uw handel en wandel Hebben u dit verdiend; Uw eigen boosheid maakt het zo bitter, En wondt u het hart.
18你的行動,你的作為,招惹這事; 這是你罪惡的結果, 實在是苦, 是害及你心了!
19Mijn borst, mijn borst; ik krimp ineen, O, de wand van mijn hart; Hoe bonst mijn hart, Ik kan het niet stillen! Want ik hoor het geschal der trompetten, Het lawaai van de krijg;
19我的肺腑啊,我的肺腑啊,我心疼痛! 我心在我裏面煩躁不安。 我不能靜默不言, 因為我已經聽見角聲和打仗的喊聲。
20Ruïne dreunt neer op ruïne, Het hele land is verwoest. Plotseling liggen mijn tenten vernield, In een oogwenk mijn zeilen;
20毀壞的信息連絡不絕, 因為全地荒廢。 我的帳棚忽然毀壞; 我的幔子頃刻破裂。
21Hoe lang nog moet ik de krijgsbanier zien, De bazuin horen schallen!
21我看見大旗,聽見角聲, 要到幾時呢?
22Want mijn volk is verdwaasd: ze kennen Mij niet; Onverstandige kinderen, zonder begrip; Volleerd alleen in de boosheid, Maar te dom, om het goede te doen.
22耶和華說 :我的百姓愚頑,不認識我; 他們是愚昧無知的兒女, 有智慧行惡,沒有知識行善。
23Ik zie de aarde al: ze is woest en leeg; De hemel: weg is zijn licht;
23先知說 :我觀看地, 不料,地是空虛混沌; 我觀看天,天也無光。
24Ik zie de bergen: ze rillen, En al de heuvels: ze beven.
24我觀看大山,不料,盡都震動, 小山也都搖來搖去。
25Ik zie: geen mensen meer over, Alle vogels in de lucht zijn gevlogen;
25我觀看,不料,無人; 空中的飛鳥也都躲避。
26Ik zie: de boomgaard een steppe, alle steden verwoest, Door Jahweh, om zijn ziedende toorn.
26我觀看,不料,肥田變為荒地; 一切城邑在耶和華面前, 因他的烈怒都被拆毀。
27Want zo spreekt Jahweh: Het hele land zal worden verwoest, Al verniel Ik het niet voor altijd;
27耶和華如此說:全地必然荒涼, 我卻不毀滅淨盡。
28De aarde zal er om treuren, De hemel daarboven om rouwen. Want Ik heb het gezegd, En heb het besloten; Ik heb er geen spijt van, Ik kom er niet meer op terug.
28因此,地要悲哀, 在上的天也必黑暗; 因為我言已出,我意已定, 必不後悔,也不轉意不做。
29Voor het geschreeuw van ruiters en schutters Is het hele land op de vlucht; Ze kruipen in struiken, en klimmen op rotsen, Alle steden liggen verlaten, niemand die er meer woont.
29各城的人因馬兵和弓箭手的響聲就都逃跑, 進入密林,爬上磐石; 各城被撇下, 無人住在其中。
30En gij wordt verwoest, wat ge ook doet: Al steekt ge u in purper, omhangt u met goud, Al puilen uw ogen door smink: Tevergeefs dirkt ge u op. Uw minnaars stoten u weg, Ze eisen uw leven;
30你淒涼的時候要怎樣行呢? 你雖穿上朱紅 衣服 , 佩戴黃金裝飾, 用顏料修飾眼目, 這樣標緻是枉然的! 戀愛 你的 藐視你, 並且尋索你的性命。
31Ik hoor al het gillen als van een vrouw in haar weeën, Het krijten als bij een eerste kind. Het is het kermen van de dochter van Sion, Die naar adem snakt, de handen wringt. Wee mij! O, ik bezwijk Onder de slagen der beulen!
31我聽見有聲音,彷彿婦人產難的聲音, 好像生頭胎疼痛 的聲音 , 是 錫安 女子的聲音; 她喘着氣、挓挲手, 說 :我有禍了! 在殺人的跟前,我的心發昏了。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.