Hebreeen 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Welnu dan, omringd van zulk een wolk van getuigen, laat ons iedere belemmering en hinder van zonde wegwerpen van ons, en dan met volharding de wedloop beginnen, die voor ons ligt;
1Tial ankaŭ ni, havante ĉirkaŭ ni tian nubegon da atestantoj, formetu ĉion pezan kaj la pekon embarasantan, kaj persiste kuru la kuradon antaŭ ni metitan,
2het oog gevestigd op Jesus, aanvang en einde van het geloof. Hij heeft in plaats van de vreugde, die Hem toekwam, een kruis op Zich genomen, en de schande niet geacht; maar is dan ook gezeten ter rechterzijde van Gods troon.
2direktante la rigardon al la aŭtoro kaj perfektiganto de la fido, Jesuo, kiu, pro la ĝojo antaŭ li metita, suferis la krucon, malestimante honton, kaj sidiĝis dekstre de la trono de Dio.
3Houdt Hem toch voor ogen, die van de zondaars zulk een tegenspraak heeft verduurd, opdat gij niet uitgeput raakt en de zielskracht verliest.
3Ĉar pripensu tiun, kiu suferis tian kontraŭdiradon de pekuloj kontraŭ li, por ke vi ne laciĝu kaj ne malfortiĝu en viaj spiritoj.
4Nog hebt gij niet ten bloede toe weerstand geboden in de strijd tegen de zonde;
4Vi ankoraŭ ne kontraŭstaris ĝis sango, batalante kontraŭ peko;
5en zijt gij dan reeds de vermaning vergeten, die u als zonen toespreekt: Mijn zoon, verwerp de kastijding des Heren niet, En wees niet ontmoedigd, zo ge door Hem wordt bestraft.
5kaj vi forgesis la admonon, kiu rezonas kun vi, kiel kun filoj: Mia filo, ne malŝatu la punon de la Eternulo, Nek svenu, riproĉate de Li;
6Want de Heer kastijdt dien Hij bemint, Tuchtigt elken zoon, dien Hij liefheeft.
6Ĉar kiun la Eternulo amas, tiun Li punkorektas, Kaj Li skurĝas ĉiun filon, kiun Li akceptas.
7Verdraag het dus als een kastijding; God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet wordt gekastijd?
7Se vi suferas punon, kiel al filoj Dio rilatiĝas al vi; ĉar kia filo estas, kiun la patro ne punas?
8Zo gij dus zonder kastijding zoudt wezen, waarvan allen hun deel krijgen, dan waart gij bastaards en geen zonen.
8Sed se vi estas sen puno, en kiu ĉiuj fariĝas partoprenantoj, tiuokaze vi estas bastardoj, kaj ne filoj.
9Bovendien, we hebben vaders naar het vlees gehad, die ons kastijdden, en we kwamen tot inkeer; zullen we ons dan niet veel meer onderwerpen aan den Vader der geesten, en leven?
9Cetere ni havis patrojn de nia karno, kiuj nin punis, kaj ni respektis ilin; ĉu ni ne multe pli submetiĝu al la Patro de la spiritoj, kaj vivu?
10Zij toch hebben ons gekastijd ter wille van enkele dagen en naar het hun goeddacht; maar Hij doet het tot ons nut, opdat we zijn heiligheid deelachtig worden.
10Ĉar ili ja dum kelke da tagoj laŭ sia volo punis; sed Li, por utilo, por ke ni partoprenu en Lia sankteco.
11Elke kastijding schijnt op het ogenblik zelf geen reden tot vreugde, maar reden tot droefheid; later echter draagt ze hun, die er door geoefend zijn, een vredevrucht der gerechtigheid.
11Ĉiu puno portempe ŝajnas esti ne ĝoja, sed malĝoja; sed poste ĝi donas la pacplenan frukton de justeco al tiuj, kiuj per ĝi estas ekzercitaj.
12Richt op dus de slappe handen en knikkende knieën!
12Tial levu la manojn pendantajn kaj la senfortajn genuojn;
13Maakt rechte sporen met uw voeten, opdat het kreupele niet wordt ontwricht, maar genezen veeleer!
13kaj faru rektajn vojetojn por viaj piedoj, por ke tio, kio estas lama, ne deturniĝu, sed prefere resaniĝu.
14Streeft naar vrede met allen; ook naar heiligheid, zonder welke niemand den Heer zal zien.
14Serĉu pacon kun ĉiuj, kaj la sanktigon, sen kiu neniu vidos la Sinjoron;
15Zorgt er voor, dat niemand Gods genade verwaarloost; dat er geen wortel van bitterheid opschiet, anderen in de weg staat, en velen aansteekt;
15rigardante zorge, por ke neniu maltrafu la gracon de Dio, por ke nenia radiko de maldolĉeco, altkreskante, vin ĝenu, kaj por ke per tio multaj ne malpuriĝu;
16dat niemand ontuchtig is, of onverschillig als Esau, die voor één enkele spijs zijn eerstgeboorterecht verkocht.
16por ke ne estu iu malĉastulo aŭ malpiulo, kiel Esav, kiu por unu manĝo vendis sian unuenaskitecon.
17Gij weet toch, dat toen hij later de zegen wilde erven, hij afgewezen werd; want hij vond geen mogelijkheid, de gezindheid van zijn vader te veranderen, hoewel hij het onder tranen beproefde.
17Ĉar vi scias, ke eĉ kiam li poste deziris heredi la benon, li estis rifuzita; ĉar por pentado li trovis nenian lokon, kvankam kun larmoj li ĝin serĉis.
18Inderdaad, gij zijt niet toegetreden tot een tastbare berg, niet tot brandend vuur, duisternis, donkere wolk, storm,
18Ĉar vi ne alvenis al monto tuŝebla kaj brulanta per fajro, kaj al nigreco kaj mallumo kaj ventego,
19bazuingeschal; niet tot daverende woorden, waarvan de hoorders bezwoeren, dat er geen woord meer bij mocht komen,
19kaj sono de trumpeto kaj voĉo de paroloj, kies aŭdantoj petegis, ke plua vorto ne estu parolata al ili,
20omdat het bevel hun te machtig was: “Zelfs als een dier de berg aanraakt, moet het gestenigd worden.”
20ĉar ili ne povis elporti la ordonon: Se eĉ bruto tuŝos la monton, ĝi estu ŝtonmortigita;
21En zó ontzettend was de verschijning, dat Moses uitriep: “Ik beef en sidder van angst.”
21kaj tiel terura estis la aperaĵo, ke Moseo diris: Mi timegas kaj tremas;
22Neen, gij zijt toegetreden tot de berg Sion en de Stad van den levenden God, het hemels Jerusalem; tot de tienduizenden engelen, tot de feestvergadering,
22sed vi alvenis al la monto Cion kaj al la urbo de vivanta Dio, la ĉiela Jerusalem, kaj al miriadoj da anĝeloj,
23tot de gemeente der eerstgeborenen, opgeschreven in de hemel; tot God den Rechter van allen; tot de geesten der rechtvaardigen, die hun voleinding hebben bereikt;
23al la ĝenerala kunveno kaj eklezio de la unuenaskitoj, en la ĉielo enskribitaj, kaj al Dio, la Juĝisto de ĉiuj, kaj al la spiritoj de justuloj perfektigitaj,
24tot Jesus den Middelaar van het nieuwe Verbond, tot het Bloed der besprenkeling, dat iets beters afroept dan Abels bloed.
24kaj al Jesuo, la interulo de nova interligo, kaj al la sango de aspergo, kiu parolas pli bonajn aferojn ol la sango de Habel.
25Zorgt er voor, dat gij Hem niet afwijst, die roept! Want wanneer zij niet ontkwamen, die Hem afwezen, toen Hij op aarde sprak, hoeveel minder wij, zo we ons afkeren van Hem, die uit de hemelen spreekt,
25Gardu vin, ke vi ne forrifuzu la parolanton. Ĉar se ne forsaviĝis tiuj, kiuj forrifuzis la admonanton sur la tero, des malpli ni, deturnante nin de la parolanto el la ĉielo,
26wiens stem eertijds de aarde deed sidderen, maar die nu heeft verkondigd: “Nog eenmaal zal Ik doen beven Niet slechts de aarde, maar ook de hemel.”
26kies voĉo tiam skuis la teron; sed nun Li promesis, dirante: Ankoraŭ unufoje Mi ekmovos ne sole la teron, sed ankaŭ la ĉielon.
27Welnu, dit “Nog eenmaal” wijst op de omverwerping van wat als schepsel vergankelijk is, opdat dan het onvergankelijke blijft bestaan.
27Kaj tiu diro: Ankoraŭ unufoje — montras la translokigon de la skuitaĵoj, kiel de faritaĵoj, por ke la neskueblaj restu.
28Wij dus, die een onvergankelijk koninkrijk hebben ontvangen, we moeten vasthouden aan de genade, en daardoor God dienen, zoals het Hem welgevallig is: in vrome eerbied en ontzag.
28Tial, ricevante regnon neskueblan, ni havu dankemecon, per kiu ni adoru Dion akcepteble kun respektego kaj pia timo;
29Want onze God is een verterend vuur!
29ĉar nia Dio estas fajro konsumanta.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.