Ezra
Chapter 2
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Dit zijn de bewoners der provincie, die weggetrokken zijn uit de ballingschap in Babel, waarheen Nabukodonosor, de koning van Babel, hen had weggevoerd, en die zijn teruggekeerd naar Jerusalem in Juda, iedereen naar zijn eigen stad.
1Y ESTOS son los hijos de la provincia que subieron de la cautividad, de la transmigración que Nabucodonosor rey de Babilonia hizo traspasar á Babilonia, y que volvieron á Jerusalem y á Judá, cada uno á su ciudad:
2Het zijn degenen, die teruggekomen zijn met Zorobabel, Jesjóea, Nehemias, Seraja, Reëlaja, Mordekai, Bilsjan, Mispar, Bigwai, Rechoem en Baäna. Het aantal mannen uit het volk van Israël was als volgt:
2Los cuales vinieron con Zorobabel, Jesuá, Nehemías, Seraías, Reelaías, Mardochêo, Bilsán, Mispar, Bigvai, Rehum y Baana. La cuenta de los varones del pueblo de Israel:
3de zonen van Parosj telden een en twintighonderd twee en zeventig man;
3Los hijos de Paros, dos mil ciento setenta y dos;
4de zonen van Sjefatja, driehonderd twee en zeventig;
4Los hijos de Sephatías, trescientos setenta y dos;
5de zonen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig;
5Los hijos de Ara, setecientos setenta y cinco;
6de zonen van Páchat-Moab, de zonen namelijk van Jesjóea en Joab, acht en twintighonderd en twaalf;
6Los hijos de Pahath-moab, de los hijos de Josué y de Joab, dos mil ochocientos y doce;
7de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
7Los hijos de Elam, mil doscientos cincuenta y cuatro;
8de zonen van Zattoe, negenhonderd vijf en veertig;
8Los hijos de Zattu, novecientos cuarenta y cinco;
9de zonen van Zakkai, zevenhonderd zestig;
9Los hijos de Zachâi, setecientos y sesenta;
10de zonen van Bani, zeshonderd twee en veertig;
10Los hijos de Bani, seiscientos cuarenta y dos;
11de zonen van Bebai, zeshonderd drie en twintig;
11Los hijos de Bebai, seiscientos veinte y tres;
12de zonen van Azgad, twaalfhonderd twee en twintig;
12Los hijos de Azgad, mil doscientos veinte y dos;
13de zonen van Adonikam, zeshonderd zes en zestig;
13Los hijos de Adonicam, seiscientos sesenta y seis;
14de zonen van Bigwai, tweeduizend zes en vijftig;
14Los hijos de Bigvai, dos mil cincuenta y seis;
15de zonen van Adin, vierhonderd vier en vijftig;
15Los hijos de Adin, cuatrocientos cincuenta y cuatro;
16de zonen van Ater, uit de familie van Chizki-ja, acht en negentig;
16Los hijos de Ater, de Ezechîas, noventa y ocho;
17de zonen van Besai, driehonderd drie en twintig;
17Los hijos de Besai, trescientos veinte y tres;
18de zonen van Jora, honderd en twaalf;
18Los hijos de Jora, ciento y doce;
19de zonen van Chasjoem, tweehonderd drie en twintig;
19Los hijos de Hasum, doscientos veinte y tres;
20de zonen van Gibbar, vijf en negentig;
20Los hijos de Gibbar, noventa y cinco;
21de burgers van Betlehem, honderd drie en twintig;
21Los hijos de Beth-lehem, ciento veinte y tres;
22de burgers van Netofa, zes en vijftig;
22Los varones de Nethopha, cincuenta y seis;
23de burgers van Anatot, honderd acht en twintig;
23Los varones de Anathoth, ciento veinte y ocho;
24de burgers van Azmáwet, twee en veertig;
24Los hijos de Asmaveth, cuarenta y dos;
25de burgers van Kirjat-Jearim, Kefira en Beërot, zevenhonderd drie en veertig;
25Los hijos de Chîriath-jearim, Cephira, y Beeroth, setecientos cuarenta y tres;
26de burgers van Rama en Géba, zeshonderd een en twintig;
26Los hijos de Rama y Gabaa, seiscientos veinte y uno;
27de burgers van Mikmas, honderd twee en twintig;
27Los varones de Michmas, ciento veinte y dos;
28de burgers van Betel en Ai, tweehonderd drie en twintig;
28Los varones de Beth-el y Hai, doscientos veinte y tres;
29de burgers van Nebo, twee en vijftig;
29Los hijos de Nebo, cincuenta y dos;
30de zonen van Magbisj, honderd zes en vijftig;
30Los hijos de Magbis, ciento cincuenta y seis;
31de zonen van den anderen Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
31Los hijos del otro Elam, mil doscientos cincuenta y cuatro;
32de zonen van Charim, driehonderd en twintig;
32Los hijos de Harim, trescientos y veinte;
33de burgers van Lod, Chadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig;
33Los hijos de Lod, Hadid, y Ono, setecientos veinte y cinco;
34de burgers van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
34Los hijos de Jericó, trescientos cuarenta y cinco;
35de zonen van Senaä, zes en dertighonderd dertig.
35Los hijos de Senaa, tres mil seiscientos y treinta;
36De priesters: de zonen van Jedaja, uit het geslacht van Jesjóea telden negenhonderd drie en zeventig man;
36Los sacerdotes: los hijos de Jedaía, de la casa de Jesuá, novecientos setenta y tres;
37de zonen van Immer, duizend twee en vijftig;
37Los hijos de Immer, mil cincuenta y dos;
38de zonen van Pasjchoer, twaalfhonderd zeven en veertig;
38Los hijos de Pashur, mil doscientos cuarenta y siete;
39de zonen van Charim, duizend zeventien.
39Los hijos de Harim, mil diez y siete.
40De levieten: de zonen van Jesjóea, Kadmiël en Hodawja telden vier en zeventig man.
40Los Levitas: los hijos de Jesuá y de Cadmiel, de los hijos de Odovías, setenta y cuatro.
41De zangers: de zonen van Asaf telden honderd acht en twintig man.
41Los cantores: los hijos de Asaph, ciento veinte y ocho.
42De poortwachters: de zonen van Sjalloem, de zonen van Ater, de zonen van Talmon, de zonen van Akkoeb, de zonen van Chatita en de zonen van Sjobai telden tezamen honderd negen en dertig man.
42Los hijos de los porteros: los hijos de Sallum, los hijos de Ater, los hijos de Talmón, los hijos de Accub, los hijos de Hatita, los hijos de Sobai; en todos, ciento treinta y nueve.
43De tempelknechten waren: de zonen van Sicha; de zonen van Chasoefa; de zonen van Tabbaot;
43Los Nethineos: los hijos de Siha, los hijos de Hasupha, los hijos de Thabaoth,
44de zonen van Keros; de zonen van Siaha; de zonen van Padon;
44Los hijos de Chêros, los hijos de Siaa, los hijos de Phadón;
45de zonen van Lebana; de zonen van Chagaba; de zonen van Akkoeb;
45Los hijos de Lebana, los hijos de Hagaba, los hijos de Accub;
46de zonen van Chagab; de zonen van Sjamlai; de zonen van Chanan;
46Los hijos de Hagab, los hijos de Samlai, los hijos de Hanán;
47de zonen van Giddel; de zonen van Gáchar; de zonen van Reaja;
47Los hijos de Giddel, los hijos de Gaher, los hijos de Reaía;
48de zonen van Resin; de zonen van Nekoda; de zonen van Gazzan;
48Los hijos de Resin, los hijos de Necoda, los hijos de Gazam;
49de zonen van Oezza; de zonen van Paséach; de zonen van Besai;
49Los hijos de Uzza, los hijos de Phasea, los hijos de Besai;
50de zonen van Asna; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesim;
50Los hijos de Asena, los hijos de Meunim, los hijos de Nephusim;
51de zonen van Bakboek; de zonen van Chakoefa; de zonen van Charchoer;
51Los hijos de Bacbuc, los hijos de Hacusa, los hijos de Harhur;
52de zonen van Basloet; de zonen van Mechida; de zonen van Charsja;
52Los hijos de Basluth, los hijos de Mehida, los hijos de Harsa;
53de zonen van Barkos; de zonen van Sisera; de zonen van Témach;
53Los hijos de Barcos, los hijos de Sisera, los hijos de Thema;
54de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
54Los hijos de Nesía, los hijos de Hatipha.
55De zonen van Salomons slaven waren: de zonen van Sotai; de zonen van Soféret; de zonen van Perida;
55Los hijos de los siervos de Salomón: los hijos de Sotai, los hijos de Sophereth, los hijos de Peruda;
56de zonen van Jaäla; de zonen van Darkon; de zonen van Giddel;
56Los hijos de Jaala, los hijos de Darcón, los hijos de Giddel;
57de zonen van Sjefatja; de zonen van Chattil; de zonen van Pokéret-Hassebajim; de zonen van Ami.
57Los hijos de Sephatías, los hijos de Hatil, los hijos de Phochêreth-hassebaim, los hijos de Ami.
58De tempelknechten telden met de zonen van Salomons slaven tezamen driehonderd twee en negentig man.
58Todos los Nethineos, é hijos de los siervos de Salomón, trescientos noventa y dos.
59De volgende zijn wel mee opgetrokken uit Tel-Mélach, Tel-Charsja, Keroeb, Addon en Immer, maar ze konden hun familie- en stamboom niet overleggen als bewijs, dat zij tot Israël behoorden. Het waren:
59Y estos fueron los que subieron de Tel-mela, Tel-harsa, Chêrub, Addan, é Immer, los cuales no pudieron mostrar la casa de sus padres, ni su linaje, si eran de Israel:
60de zonen van Delaja; de zonen van Tobi-ja; de zonen van Nekoda: zeshonderd twee en vijftig man.
60Los hijos de Delaía, los hijos de Tobías, los hijos de Necoda, seiscientos cincuenta y dos.
61Uit de priesterzonen: de zonen van Chabaja; de zonen van Hakkos; de zonen van Barzillai, die getrouwd was met een der dochters van Barzillai uit Gilad, en naar hem werd genoemd.
61Y de los hijos de los sacerdotes: los hijos de Abaía, los hijos de Cos, los hijos de Barzillai, el cual tomó mujer de las hijas de Barzillai Galaadita, y fué llamado del nombre de ellas.
62Daar zij, hoe ze ook zochten, hun geslachtsregister niet konden vinden, werden zij van de priesterlijke bediening uitgesloten,
62Estos buscaron su registro de genealogías, y no fué hallado; y fueron echados del sacerdocio.
63en verbood hun de landvoogd, van de heilige spijzen te eten, totdat er een priester met de Oerim en Toemmim zou optreden.
63Y el Tirsatha les dijo que no comiesen de las cosas más santas, hasta que hubiese sacerdote con Urim y Thummim.
64De hele gemeente bestond uit twee enveertigduizend driehonderd zestig personen.
64Toda la congregación, unida como un solo hombre , era de cuarenta y dos mil trescientos y sesenta,
65Hierbij kwamen nog zevenduizend driehonderd zeven en dertig slaven en slavinnen, en tweehonderd zangers en zangeressen.
65Sin sus siervos y siervas, los cuales eran siete mil trescientos treinta y siete: y tenían doscientos cantores y cantoras.
66Men bezat zevenhonderd zes en dertig paarden, tweehonderd vijf en veertig muilezels,
66Sus caballos eran setecientos treinta y seis; sus mulos, doscientos cuarenta y cinco;
67vierhonderd vijf en dertig kamelen en zesduizend zevenhonderd twintig ezels.
67Sus camellos, cuatrocientos treinta y cinco; asnos, seis mil setecientos y veinte.
68Toen men bij de tempel van Jahweh te Jerusalem was aangekomen, brachten sommige familiehoofden vrijwillige schenkingen voor de tempel van God, om hem op zijn plaats te doen herrijzen.
68Y algunos de los cabezas de los padres, cuando vinieron á la casa de Jehová la cual estaba en Jerusalem, ofrecieron voluntariamente para la casa de Dios, para levantarla en su asiento.
69Ook droeg men naar vermogen bij aan het fonds, dat voor de eredienst was bestemd: voor een en zestigduizend drachmen7 aan goud, voor vijfduizend mina aan zilver, en honderd priestergewaden.
69Según sus fuerzas dieron al tesorero de la obra sesenta y un mil dracmas de oro, y cinco mil libras de plata, y cien túnicas sacerdotales.
70Daarna gingen de priesters, de levieten met een deel van het volk, de zangers, de poortwachters en de tempelknechten zich te Jerusalem vestigen, en de rest van Israël in hun steden.
70Y habitaron los sacerdotes, y los Levitas, y los del pueblo, y los cantores, y los porteros y los Nethineos, en sus ciudades; y todo Israel en sus ciudades.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.