Deuteronomium 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Geen eunuch of ontmande mag tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten.
1У сабор Господњи да не улази ни утучен ни ушкопљен.
2Ook mag geen bastaard tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten, zelfs niet in het tiende geslacht.
2У сабор Господњи да не улази копиле, ни десето колено његово да не улази у сабор Господњи.
3Geen Ammoniet en Moabiet mag ooit tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten, zelfs niet in hun tiende geslacht.
3Ни Амонац ни Моавац да не улази у сабор Господњи, ни десето колено њихово, да не улази у сабор Господњи довека.
4Want bij uw uittocht uit Egypte hebben zij u onderweg geen brood en water willen verschaffen, terwijl Moab bovendien Balaäm, den zoon van Beor, uit Petor van Aram-Naharáim voor geld heeft ontboden, om u te vervloeken.
4Зато што не изиђоше пред вас с хлебом и водом на путу кад сте ишли из Мисира, и што најмише за новце на вас Валама, сина Веоровог из Феторе у Месопотамији да те прокуне,
5Wel heeft Jahweh, uw God, niet naar Balaäm willen luisteren, en de vloek voor u in zegen veranderd, omdat Jahweh, uw God, u beminde,
5премда не хте Господ Бог твој слушати Валама, него ти Господ Бог твој обрати проклетство у благослов, јер те милова Господ Бог твој.
6maar toch moogt gij in der eeuwigheid niet hun geluk en welvaart bevorderen.
6Не тражи мир њихов ни добро њихово никада за свог века.
7Voor den Edomiet behoeft ge geen afschuw te hebben, want hij is uw broeder; evenmin voor den Egyptenaar, omdat gij als vreemdeling in zijn land hebt vertoefd.
7Немој се гадити на Идумејца, јер ти је брат; немој се гадити на Мисирца, јер си био дошљак у земљи његовој.
8De zonen, die hun worden geboren, mogen in het derde geslacht tot de gemeente van Jahweh worden toegelaten.
8Синови који се роде од њих у трећем колену нека долазе у сабор Господњи.
9Wanneer gij u in een legerplaats bevindt, om tegen uw vijanden op te trekken, moet gij er voor zorgen, niets onwelvoegelijks te doen.
9Кад отидеш на војску на непријатеље своје, тада се чувај од сваке зле ствари.
10Wanneer er dus iemand onder u is, die door wat hem des nachts overkwam, onrein is geworden, dan moet hij zich uit de legerplaats verwijderen. Hij mag niet in de legerplaats terugkomen,
10Ако се ко међу вама оскврни од чега што му се ноћу догоди, нека изиђе из логора и не улази у логор.
11eer hij zich bij het vallen van de avond met water heeft gewassen; eerst als de zon is ondergegaan, mag hij in de legerplaats terugkeren.
11А пред вече нека се опере водом, па кад сунце зађе нека уђе у логор.
12Ook moet gij buiten het legerkamp een gelegenheid hebben, waar gij uw behoefte kunt doen.
12И имај место иза логора где ћеш излазити напоље.
13Gij moet ook een pin aan uw gordel hebben, om een gat te graven, wanneer gij buiten gaat zitten, en om er uw behoefte weer mee te bedekken.
13И имај лопатицу у оправи својој, па кад изиђеш напоље, закопај њом, а кад пођеш натраг, загрни нечист своју.
14Want Jahweh, uw God, vertoeft in uw kamp, om u te redden en uw vijanden aan u over te leveren. Uw legerplaats moet dus heilig zijn, opdat Hij niets onwelvoegelijks daarin ziet, en zich van u afkeert.
14Јер Господ Бог твој иде усред логора твог да те избави и да ти преда непријатеље твоје; зато нека је логор твој свет, да не види у тебе никакве нечистоте, да се не би одвратио од тебе.
15Gij moogt een slaaf, die van zijn heer naar u is gevlucht, niet aan zijn meester uitleveren.
15Немој издати слугу господару његовом, који утече к теби од господара свог;
16Hij zal te midden van u blijven wonen op een plaats, die hij verkiest, in een van uw steden, naar zijn goeddunken; ge moogt hem niet verdrukken.
16него нека остане код тебе, усред тебе у месту које изабере у коме граду твом, где му буде драго; немој га цвелити.
17Er mag geen tempeldeerne onder de dochters van Israël zijn, en geen schandjongen onder de zonen van Israël.
17Да не буде курве између кћери Израиљевих, ни аџувана између синова Израиљевих.
18Gij moogt geen deernen- en hondenloon in de tempel van Jahweh, uw God, brengen tot voldoening van geloften; want beide zijn een afschuw voor Jahweh, uw God.
18Не носи у дом Господа Бога свог ни по каквом завету плате курвине ни цене од пса, јер је обоје гад пред Господом Богом твојим.
19Gij moogt van uw broeder geen rente nemen, geen rente van geld, van levensmiddelen, of van iets, waarvoor men rente kan vragen.
19Не дај на добит брату свом ни новаца ни хране нити ишта што се даје на добит.
20Van een buitenlander moogt ge rente nemen, maar niet van uw broeder, opdat Jahweh, uw God, u moge zegenen bij al wat gij doet in het land, dat gij nu in bezit gaat nemen.
20Странцу подај на добит, али брату свом немој давати на добит, да би те благословио Господ Бог твој у свему што се прихватиш руком својом у земљи у коју идеш да је наследиш.
21Wanneer ge aan Jahweh, uw God, een gelofte doet, talm dan niet, ze ook te volbrengen; want Jahweh, uw God, zal ze van u blijven eisen, en er zal schuld op u rusten.
21Кад учиниш завет Господу Богу свом, не оклевај испунити га, јер ће га тражити од тебе Господ Бог твој, и биће на теби грех.
22Wanneer ge geen gelofte doet, rust er ook geen schuld op u;
22Ако ли се не заветујеш, неће бити на теби греха.
23maar uw woord moet ge nauwgezet houden, juist zoals gij het Jahweh, uw God, vrijwillig beloofd hebt, en het met uw eigen mond hebt gesproken.
23Шта ти изиђе из уста, оно држи и учини, као што заветујеш Господу Богу свом драговољно, што искажеш устима својим.
24Wanneer gij in de wijngaard van uw naaste komt, moogt ge druiven eten, zoveel ge wilt, tot gij genoeg hebt, maar niets in uw mand leggen.
24Кад уђеш у виноград ближњег свог, можеш јести грожђа по вољи док се не наситиш; али га не мећи у суд свој.
25En wanneer ge door het korenveld van een ander gaat, moogt ge met uw hand aren plukken, maar niet de sikkel slaan in het koren van uw naaste.
25Кад уђеш у усев ближњег свог можеш тргати класје руком својом; али да не зажњеш српом у усев ближњег свог.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.