Kolossenzen 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Zo gij dan met Christus verrezen zijt, zoekt dan ook naar wat hierboven is: waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.
1SE dunque voi siete risuscitati con Cristo, cercate le cose di sopra, dove Cristo è a sedere alla destra di Dio.
2Weest bedacht op wat daarboven is, en niet op het aardse.
2Pensate alle cose di sopra, non a quelle che son sopra la terra.
3Want gij zijt dood, en uw leven is met Christus verborgen in God.
3Perciocchè voi siete morti, e la vita vostra è nascosta con Cristo in Dio.
4Maar wanneer Christus, ons leven, wordt geopenbaard, dan zult ook gij geopenbaard worden in glorie, tezamen met Hem.
4Quando Cristo, che è la vita vostra, apparirà, allora ancor voi apparirete con lui in gloria.
5Doodt dan wat aards is in uw leden: ontucht, onreinheid, drift, boze begeerte en hebzucht, welke ten slotte afgoderij is;
5Mortificate adunque le vostre membra che son sopra la terra; fornicazione, immondizia, lussuria nefanda, mala concupiscenza, ed avarizia, che è idolatria.
6door dit alles komt Gods toorn.
6Per le quali cose viene l'ira di Dio sopra i figliuoli della disubbidienza.
7Zeker, dit alles hebt gij vroeger gedaan, toen gij daarin hebt geleefd.
7Nelle quali già camminaste ancor voi, quando vivevate in esse.
8Maar thans moet ook gij dit alles afleggen: toorn, gramschap, boosheid, laster, oneerbare taal uit uw mond;
8Ma ora deponete ancora voi tutte queste cose: ira, cruccio, malizia, e fuor della vostra bocca maldicenza, e parlar disonesto.
9bedriegt elkander niet. Want gij hebt den ouden mens afgelegd met zijn practijken,
9Non mentite gli uni agli altri, avendo spogliato l'uomo vecchio co' suoi atti;
10en aangetrokken den nieuwen mens, die tot beter inzicht vernieuwd is naar het beeld van zijn Schepper.
10e vestito il nuovo, che si rinnova a conoscenza, secondo l'immagine di colui che l'ha creato.
11Zó is er geen Griek meer of Jood, geen besnedene of onbesnedene, geen barbaar en geen Scyt, geen slaaf en geen vrije; maar Christus is alles in allen.
11Dove non vi è Greco e Giudeo, circoncisione e incirconcisione, Barbaro e Scita, servo e franco; ma Cristo è ogni cosa, ed in tutti.
12Bekleedt u dan, als Gods uitverkoren heiligen en geliefden, met innige barmhartigheid, met goedheid, ootmoed, zachtheid en lankmoedigheid.
12Vestitevi adunque, come eletti di Dio, santi, e diletti, di viscere di misericordia, di benignità, d'umiltà, di mansuetudine, di pazienza;
13Weest verdraagzaam jegens elkander en vergeeft elkander, als gij over elkaar hebt te klagen; zoals de Heer ú heeft vergeven, zo moet ook gij het doen.
13comportandovi gli uni gli altri, e perdonandovi, se alcuno ha qualche querela contro ad un altro; come Cristo ancora vi ha perdonati, fate voi altresì il simigliante.
14Trekt over dit alles de liefde aan, die de band is der volmaaktheid.
14E per tutte queste cose, vestitevi di carità, che è il legame della perfezione.
15In uw harten heerse ook de vrede van Christus; want daartoe zijt gij tot één lichaam geroepen. Weest dankbaar bovendien!
15Ed abbia la presidenza ne' cuori vostri la pace di Dio, alla quale ancora siete stati chiamati in un corpo; e siate riconoscenti.
16Moge Christus’ woord in u wonen in rijke overvloed! Leert en vermaant elkander met allerlei wijsheid! Looft God in uw harten op lieflijke wijze, met psalmen, gezangen en geestelijke liederen.
16La parola di Cristo abiti in voi doviziosamente, in ogni sapienza; ammaestrandovi, ed ammonendovi gli uni gli altri, con salmi, ed inni, e canzoni spirituali; cantando con grazia del cuor vostro al Signore.
17En al wat gij doet, door woord of door daad, doet het in de naam van Jesus den Heer, en betuigt dan door Hem aan God den Vader uw dank!
17E qualunque cosa facciate, in parola, o in opera, fate ogni cosa nel nome del Signore Gesù, rendendo grazie a Dio, e Padre, per lui.
18Gij vrouwen, weest onderdanig aan uw mannen, zoals het uw plicht is in den Heer.
18MOGLI, siate soggette a' mariti, come si conviene nel Signore.
19Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, en weest niet ongenietbaar jegens haar.
19Mariti, amate le mogli, e non v'inasprite contro a loro.
20Gij kinderen, gehoorzaamt uw ouders in alles; want dit is welgevallig in den Heer.
20Figliuoli, ubbidite a' padri e madri, in ogni cosa; poichè questo è accettevole al Signore.
21Gij vaders, verbittert uw kinderen niet, opdat ze niet onverschillig gaan worden.
21Padri, non provocate ad ira i vostri figliuoli, acciocchè non vengan meno dell'animo.
22Gij slaven, gehoorzaamt uw aardse meesters in alles, niet als ogendienaars, die mensen behagen, maar in eenvoud van hart, uit vrees voor den Heer.
22Servi, ubbidite in ogni cosa a quelli che son vostri signori secondo la carne; non servendo all'occhio, come per piacere agli uomini; ma in semplicità di cuore, temendo Iddio.
23Al wat gij doet, doet het van harte, als voor den Heer en niet als voor mensen;
23E qualunque cosa facciate, operate d'animo, facendolo come al Signore, e non agli uomini;
24gij weet toch, dat gij van den Heer het erfdeel als loon zult ontvangen. Weest slaven van Christus, den Heer!
24sapendo che dal Signore riceverete la retribuzione dell'eredità; poichè voi servite a Cristo, il Signore.
25Want wie onrecht doet, zal zijn onrecht moeten boeten; er bestaat geen aanzien van personen.
25Ma chi fa torto riceverà la retribuzione del torto ch'egli avrà fatto, e non vi è riguardo a qualità di persona.
no verse 26 in this text
26Signori, fate ciò che è giusto, e ragionevole inverso i servi, sapendo che ancora voi avete un Signore ne' cieli.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.