2 Samuel 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Daničić–Karadžić Bible (1868), Cyrillic
1Enige tijd later gebeurde het volgende. Absalom, een zoon van David, had een zuster, een knap meisje, dat Tamar heette en op wie Amnon, een andere zoon van David, verliefd werd.
1А потом се догоди: Авесалом син Давидов имаше лепу сестру по имену Тамару, и замилова је Амнон, син Давидов.
2Tot ziekwordens toe tobde Amnon zich af over zijn zuster Tamar; want daar zij ongehuwd was, zag Amnon geen kans, haar ook maar iets te doen.
2И тужаше Амнон тако да се разболе ради Тамаре сестре своје; јер беше девојка, те се Амнону чињаше тешко да јој учини шта.
3Nu had Amnon een vriend, die Jonadab heette, een zoon van Sjima, den broer van David; deze Jonadab was een geslepen mens.
3А имаше Амнон пријатеља, коме име беше Јонадав син Саме брата Давидовог; и Јонадав беше врло домишљат.
4Hij vroeg hem: Prins, waarom ziet gij er met de dag ellendiger uit? Wilt ge het me niet vertellen? Amnon bekende hem: Ik ben verliefd op Tamar, de zuster van mijn broer Absalom.
4И рече му: Што се тако сушиш, царев сине, од дана на дан? Не би ли ми казао? А Амнон му рече: Љубим Тамару сестру Авесалома брата свог.
5Jonadab gaf hem de raad: Dan moet ge op bed blijven en u ziek houden; en als uw vader u komt bezoeken, zeg dan tegen hem: Kon mijn zuster Tamar maar komen, en mij iets te eten geven! Als ze het eten voor mijn ogen klaar wilde maken, zodat ik het zien kon, zou ik het van haar wel opeten.
5Тада му рече Јонадав: Лези у постељу своју, и учини се болестан; па кад дође отац твој да те види, ти му реци: Нека дође Тамара сестра моја да ме нахрани, и да зготови пред мојим очима јело да гледам, и из њене руке да једем.
6Amnon bleef dus te bed, en hield zich ziek. En toen de koning hem kwam bezoeken, zeide Amnon tot hem: Kon mijn zuster Tamar maar komen, en voor mijn ogen een paar koeken bakken; dan zou ik ze wel opeten.
6И Амнон леже и учини се болестан; и кад дође цар да га види, рече Амнон цару: Нека дође Тамара сестра моја и зготови преда мном два јелца да једем из њене руке.
7Daarom zond David iemand naar huis, om aan Tamar te zeggen: Ga eens naar de woning van uw broer Amnon, om hem wat eten klaar te maken.
7Тада Давид посла к Тамари кући, и поручи јој: Иди у кућу брата свог Амнона и зготови му јело.
8Tamar ging dus naar de woning van haar broer Amnon, waar deze te bed lag. Zij nam deeg, kneedde het, maakte er voor zijn ogen koeken van, en bakte ze;
8И Тамара отиде у кућу брата свог Амнона, и он лежаше; и узе брашна и замеси и зготови јело пред њим и скува.
9vervolgens nam zij de plaat en goot de koeken voor hem uit de vorm. Maar Amnon wilde niet eten en zeide: Stuurt iedereen weg. Toen allen van hem waren heengegaan,
9Потом узе тавицу и изручи преда њ; али Амнон не хте јести, него рече: Кажите нека изиђу сви који су код мене. И изиђоше сви.
10zeide Amnon tot Tamar: Breng het eten nu maar hier in de kamer, dan eet ik het wel van u op. En Tamar nam de koeken, die ze had klaargemaakt, en bracht ze bij haar broer Amnon in de kamer.
10Тада рече Амнон Тамари: Донеси то јело у клет да једем из твоје руке. И Тамара узе јело што беше зготовила, и донесе Амнону брату свом у клет.
11Maar toen ze hem het eten aanreikte, greep hij haar vast en zeide tot haar: Zuster, kom bij me liggen.
11А кад му пружи да једе, он је ухвати и рече јој: Ходи, лези са мном, сестро моја!
12Zij antwoordde hem: Neen broer, onteer me niet; zo iets doet men in Israël niet. Doe toch niet zo iets schandelijks!
12А она му рече: Не, брате, немој ме осрамотити, јер се тако не ради у Израиљу, не чини то безумље.
13Ik zou niet weten, waar ik met mijn schande heen moest, en gij zoudt in Israël als de eerste de beste dwaas bekend staan. Spreek liever eens met den koning; hij zal me aan u niet weigeren.
13Куда бих ја са срамотом својом? А ти би био као који од најгорих људи у Израиљу. Него говори цару; он ме неће теби одрећи.
14Maar hij wilde niet naar haar luisteren; hij overmande en verkrachtte haar, en had gemeenschap met haar.
14Али је он не хте послушати, него савладавши је осрамоти је и облежа је.
15Maar nu kreeg Amnon plotseling een geweldige afkeer van haar; ja, de afkeer, die hij van haar kreeg, was nog sterker dan de liefde, waarmede hij haar had bemind. Daarom zeide hij haar: Vooruit; maak, dat ge weg komt.
15А после омрзе на њу Амнон веома, те мржња којом мржаше на њу беше већа од љубави којом је пре љубљаше. И рече јој Амнон: Устани, одлази.
16Zij sprak tot hem: Maar broer dan toch; mij weg te jagen zou nog groter kwaad zijn dan het andere, dat ge mij hebt aangedaan. Maar hij wilde niet naar haar luisteren.
16А она му рече: То ће бити веће зло од оног које си ми учинио што ме тераш. Али је он не хте послушати.
17Hij riep zijn oppasser en beval: Zet dat schepsel op straat, en doe de deur achter haar dicht.
17Него викну момка који га служаше, и рече му: Води ову од мене напоље, и закључај врата за њом.
18En ofschoon ze het kleurig gewaad aan had, waarmede van oudsher de ongehuwde prinsessen waren gekleed, zette zijn oppasser haar het huis uit en deed de deur achter haar dicht.
18А она имаше на себи шарену хаљину, јер такве хаљине ношаху царске кћери док су девојке. И слуга његов изведе је напоље, и закључа за њом врата.
19Toen strooide Tamar stof op haar hoofd, scheurde het kleurig gewaad, dat ze aan had, vaneen, sloeg de hand op haar hoofd, en ging schreiend heen.
19Тада Тамара посу се пепелом по глави и раздре шарену хаљину коју имаше на себи, и метну руку своју на главу, и отиде вичући.
20Haar broer Absalom zeide tot haar: Is uw broer Amnon u te na gekomen? Zwijg er maar over, zuster; het blijft uw broer. Trek u die geschiedenis maar niet te veel aan! Zo bleef Tamar als een verstoten vrouw in het huis van haar broer Absalom.
20А брат њен Авесалом, рече јој: Да није Амнон брат твој био с тобом? Али, сестро моја, ћути, брат ти је, не мисли о том. И тако оста Тамара осамљена у кући брата свог Авесалома.
21Toen koning David heel die geschiedenis vernam, werd hij wel erg kwaad, maar wilde toch zijn zoon Amnon niets doen, omdat hij zijn eerstgeborene was, en hij veel van hem hield.
21И цар Давид чувши све ово разгневи се врло.
22Maar Absalom sprak geen woord meer tegen Amnon, goed noch kwaad; hij haatte Amnon, omdat hij zijn zuster onteerd had.
22Авесалом пак не говораше с Амноном ни ружно ни лепо; јер Авесалом мржаше на Амнона што му осрамоти сестру Тамару.
23Twee jaar later, toen bij Absalom de schapen werden geschoren in Báal-Chasor nabij Efraïm, nodigde hij alle prinsen daarbij uit.
23А после две године кад се стрижаху овце Авесаломове у Вал-Асору, који је код Јефрема, он позва све синове цареве.
24Hij kwam dus bij den koning en zeide: Gij weet, dat bij uw dienaar de schapen worden geschoren; moge nu de koning en zijn hof met uw dienaar meegaan.
24И дође Авесалом к цару и рече му: Ево, сад се стрижу овце слузи твом; нека пође цар и слуге његове са слугом својим.
25Maar de koning zeide tot Absalom: Neen, mijn jongen; laat ons maar niet allen meegaan, om u geen overlast te bezorgen. En hoe hij ook bij hem aandrong, hij wilde niet mee. Toen hij Absalom dan goede reis had gewenst.
25Али цар рече Авесалому: Немој, сине, немој да идемо сви, да ти не будемо на теготу. И премда наваљиваше, опет не хте ићи, него га благослови.
26zeide deze: Laat dan tenminste mijn broer Amnon met ons meegaan. De koning antwoordde: Waarom zou hij met u meegaan?
26А Авесалом рече: Кад ти нећеш, а оно нека иде с нама Амнон брат мој. А цар му рече: Што да иде с тобом?
27Toch liet hij, toen Absalom bij hem aandrong, Amnon en alle prinsen met hem vertrekken.
27Али навали Авесалом на њ, те пусти с њим Амнона и све синове царске.
28Absalom richtte nu een vorstelijke maaltijd aan, maar hij gaf zijn dienaren het bevel: Let op; als Amnon vrolijk wordt van de wijn, en ik zeg u: “Slaat Amnon neer”, dan moet gij hem doodslaan. Weest maar niet bang; ik ben het immers, die u het bevel geef. Houdt u dus goed en weest flink.
28Тада Авесалом заповеди момцима својим говорећи: Пазите, кад се срце Амнону развесели од вина, и ја вам кажем: Убијте Амнона; тада га убијте; не бојте се, јер вам ја заповедам, будите слободни и храбри.
29Toen nu Absaloms dienaren met Amnon deden, zoals Absalom bevolen had, sprongen alle prinsen overeind, bestegen hun muildieren en sloegen op de vlucht.
29И учинише с Амноном слуге Авесаломове како им заповеди Авесалом. Тада усташе сви синови цареви и појахаше свак своју мазгу и побегоше.
30Terwijl ze nog onderweg waren, drong het gerucht tot David door: Absalom heeft alle prinsen vermoord; niet één is er in leven gebleven!
30А докле још беху на путу, дође глас Давиду да је Авесалом побио све синове цареве, да није остао од њих ни један.
31De koning sprong op, scheurde zijn klederen en legde zich neer op de grond; ook al de dienaren, die om hem heen stonden, scheurden hun klederen.
31Тада уставши цар раздре хаљине своје, и леже на земљу, и све слуге његове које стајаху око њега раздреше хаљине своје.
32Maar Jonadab, de zoon van Sjima, Davids broer, nam het woord en zeide: Laat mijn heer en koning niet zeggen, dat ze alle prinsen hebben vermoord; want alleen Amnon is dood. Dat was op het gezicht van Absalom te lezen, sinds de dag, dat zijn zuster Tamar onteerd werd.
32А Јонадав син Саме брата Давидовог проговори и рече: Нека не говори господар мој да су побили сву децу, цареве синове; погинуо је само Амнон, јер Авесалом беше тако наумио од оног дана кад Амнон осрамоти Тамару сестру његову.
33Mijn heer en koning moet zich niet ongerust maken en denken, dat alle prinsen zijn vermoord; alleen Amnon is dood,
33Нека дакле цар господар мој не мисли о том у срцу свом говорећи: Сви синови цареви погибоше; јер је само Амнон погинуо.
34en Absalom zal wel gevlucht zijn. Een knecht, die op de uitkijk stond, sloeg zijn ogen op, en daar zag hij een massa volk op de weg naar Choronáim de berg afkomen. Hij kwam het den koning berichten en zeide: Ik heb mannen op de weg naar Choronáim gezien.
34А Авесалом побеже. А момак на стражи подиже очи своје и угледа, а то многи народ иде к њему покрај горе.
35Toen zeide Jonadab tot den koning: Dat zullen de prinsen zijn; het komt precies uit, zoals uw dienaar gezegd heeft.
35И Јонадав рече цару: Ево иду синови цареви; као што је казао слуга твој, тако је било.
36Nauwelijks had hij uitgesproken, of daar kwamen de prinsen, die luid begonnen te wenen. Ook de koning en heel zijn hof begonnen hardop te schreien.
36И кад изрече, а то синови цареви дођоше, и подигавши глас свој плакаше; а и цар и све слуге његове плакаше врло.
37Absalom had intussen de vlucht genomen en zich begeven naar Talmai, den zoon van Ammichoer en koning van Gesjoer; al die tijd treurde de koning over zijn zoon.
37Авесалом пак побеже и отиде к Талмају сину Амијудовом цару гесурском. А Давид плакаше за сином својим сваки дан.
38Maar toen Absalom drie jaar in Gesjoer vertoefd had, waarheen hij de vlucht had genomen,
38А кад Авесалом утече и дође у Гесур, оста онде три године.
39was de koning niet langer op Absalom vergramd, daar hij zich met de dood van Amnon had verzoend.
39Потом зажеле цар Давид отићи к Авесалому, јер се утеши за Амноном што погибе.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.