2 Korintanoj 5
Londona Biblio (Esperanto, 1910)Translation
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ĉar ni scias, ke se la surtera loĝejo de nia tabernaklo dissolviĝos, ni havas de Dio konstruaĵon, domon ne manfaritan, eternan en la ĉieloj.
1Ja, we weten, dat wanneer onze aardse woontent is neergehaald, we een woonplaats ontvangen van God; een woonplaats niet met handen opgeslagen, maar een eeuwige in de hemelen.
2Ĉar vere en ĉi tiu ni ĝemas, sopirante al la survestado per nia loĝejo, kiu devenas de la ĉielo;
2Want in deze woontent zuchten we van verlangen, om onze hemelse er over heen te slaan,
3se almenaŭ, vestite, ni ne troviĝos nudaj.
3zo we tenminste dan nog bekleed zijn en niet naakt.
4Ĉar ni, kiuj estas en ĉi tiu tabernaklo, ĝemas ŝarĝite, ne pro tio, ke ni deziras senvestiĝi, sed ĉar ni deziras survestiĝi, por ke la mortaĵo estu elsorbita de la vivo.
4Wij toch, die nog in de tent verblijven, we zuchten vol bekommernis, omdat we het kleed niet willen uittrekken, maar een overkleed aandoen, opdat het sterflijke verzwolgen wordt in het leven.
5Kaj Tiu, kiu nin elfaris por ĉi tiu celo, estas Dio, kiu donis al ni la antaŭgarantiaĵon de la Spirito.
5Het is God zelf, die ons daartoe in staat heeft gesteld, door ons het onderpand des Geestes te geven.
6Ni do ĉiam ĝoje kuraĝas, kaj ni scias, ke dum ni ĉeestas en la korpo, ni forestas de la Sinjoro
6Daarom houden we steeds goede moed, ook al weten we, dat zolang we inwonend zijn in het lichaam, we buitengesloten zijn van den Heer;
7(ĉar ni iradas fide, ne vide);
7want in geloof, niet in aanschouwen zwerven we rond.
8ni ĝoje kuraĝas, kaj ni plivolas foresti de la korpo kaj ĉeesti kun la Sinjoro.
8Goede moed houden we, ook al geven we er de voorkeur aan, uit het lichaam te verhuizen en inwonend te zijn bij den Heer.
9Tial ankaŭ ni ambicias, ĉu ĉeestante aŭ forestante, esti akceptindaj ĉe li.
9Maar inwonend of niet, we stellen er een eer in, Hem te behagen.
10Ĉar ni ĉiuj devos elmontriĝi antaŭ la tribunala seĝo de Kristo, por ke ĉiu ricevu tion, kion li faris en la korpo, laŭ siaj faritaĵoj, ĉu bonaj aŭ malbonaj.
10Want we moeten allen voor Christus’ rechterstoel verschijnen, om vergelding te ontvangen voor het goed of het kwaad, dat ieder van ons tijdens zijn lichamelijk bestaan heeft verricht.
11Sciante do la timon al la Sinjoro, ni celas konvinki homojn, sed ni ja elmontriĝas al Dio; kaj ni esperas, ke ni elmontriĝas ankaŭ al viaj konsciencoj.
11Daar we dus weten, dat we den Heer moeten vrezen, trachten we mensen te winnen. Voor God liggen we daarbij open geheel en al; ik hoop, voor uw geweten eveneens. Heiligheid van paulus’ apostolaat als ambt der verzoening door Jesus.
12Ni ne denove nin rekomendas al vi, sed donas al vi kaŭzon fieriĝi pri ni, por ke vi havu ion respondi al tiuj, kiuj fieriĝas ŝajne kaj ne kore.
12We gaan ons niet opnieuw bij u aanprijzen, maar we geven u stof tot roem over ons, om iets bij de hand te hebben tegenover hen, die op het uiterlijk pochen, en niet op het hart.
13Ĉar ĉu ni estis frenezaj, tio estis pro Dio, aŭ ĉu ni estas seriozaj, tio estas pro vi.
13Want als we ons te buiten gaan, we doen het om God; houden we ons in, dan is het om u.
14Ĉar la amo de Kristo nin devigas; ĉar ni juĝas jene, ke ĉar unu mortis pro ĉiuj, tial ĉiuj mortis;
14Inderdaad, Christus’ liefde dringt ons. We oordelen aldus: Eén is voor allen gestorven; dus zijn ze allen gestorven.
15kaj li mortis pro ĉiuj, por ke la vivantoj jam vivu ne por si mem, sed por tiu, kiu pro ili mortis kaj releviĝis.
15En Hij is voor allen gestorven, opdat zij die leven, niet voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en verrezen.
16Tial ni de nun konas neniun laŭkarne; eĉ kvankam ni konis Kriston laŭkarne, tamen ni ne plu lin tiel konas.
16Daarom ook beoordelen we van nu af niemand meer naar het vlees; en zo we Christus naar het vlees mochten beoordeeld hebben, dan doen we dit thans niet meer.
17Tial se iu homo estas en Kristo, estas jam nova kreitaĵo; la malnovaĵoj forpasis, jen ili jam estiĝis novaj.
17Derhalve, zo iemand in Christus is, dan is hij een nieuw schepsel; het oude is voorbij, zie het nieuwe is daar.
18Sed ĉio estas de Dio, kiu repacigis nin al Si mem per Kristo kaj donis al ni la administradon de la repacigo;
18Welnu, dit alles is uit God, die ons door Christus met Zich heeft verzoend, en die ons de bediening der Verzoening heeft toevertrouwd.
19nome, ke Dio estis en Kristo, repacigante la mondon al Si, ne alkalkulante al ili la kulpojn, kaj komisiis al ni la vorton repacigan.
19Want het was God, die door Christus de wereld met Zich verzoende en haar de overtredingen niet toerekende, en die òns de prediking der Verzoening heeft opgedragen.
20Ni do estas ambasadoroj pro Kristo, kvazaŭ Dio per ni petadus; ni vin petegas pro Kristo, repaciĝu al Dio.
20In Christus’ naam treden we dus als gezanten op, alsof God zelf door ons vermaant. In Christus’ naam smeken we u: Verzoent u met God.
21Tiun, kiu ne konis pekon, Li faris peko pro ni; por ke ni fariĝu justeco de Dio en li.
21Hem, die geen zonde heeft gekend, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat we door Hem zouden worden: gerechtigheid Gods.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.