2 Korintanoj 3
Londona Biblio (Esperanto, 1910)Translation
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ĉu ni denove komencas nin mem rekomendi? aŭ ĉu ni bezonas, kiel iuj, leterojn rekomendajn al vi, aŭ de vi?
1Gaan we nu opnieuw onszelf aanprijzen? Of behoeven we misschien, als sommige anderen, aanbevelingsbrieven aan u of van u?
2Vi mem estas nia letero, skribita sur nia koro, kaj konata kaj legata de ĉiuj;
2Gijzelf zijt onze brief, wel geschreven in ons hart, maar niettemin gekend en gelezen door alle mensen.
3ĉar vi montriĝis, ke vi estas letero de Kristo liverita per ni, skribita ne per inko, sed per la Spirito de la vivanta Dio; ne sur ŝtonaj tabeloj, sed sur la karnaj tabeloj de la koro.
3Want het is bekend, dat gij een brief van Christus zijt, die door ons is geschreven, niet met inkt, maar met den Geest van den levenden God; niet op stenen tafelen, maar op de vleselijke tafelen van het hart.
4Kaj tian fidon ni havas per Kristo al Dio;
4Door Christus hebben we dit zelfvertrouwen bij God.
5ne kvazaŭ ni taŭgas ion fari per ni mem, sed nia taŭgeco estas el Dio,
5Want niet door onszelf, en als door eigen kracht zijn we in staat, iets te bedenken; maar onze geschiktheid is uit God,
6kiu ankaŭ taŭgigis nin kiel administrantojn de nova interligo, ne laŭ litero, sed laŭ spirito; ĉar la litero mortigas, sed la spirito vivigas.
6die ons bekwaam heeft gemaakt, om bedienaars te worden van een nieuw Verbond, niet van de letter, maar van den Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend.
7Sed se la administrado mortiga, esprimita per literoj kaj enĉizita sur ŝtonoj, estiĝis en gloro, tiel, ke la Izraelidoj ne povis fikse rigardi la vizaĝon de Moseo pro lia vizaĝa brileco, jam tamen malpliiĝanta,
7Welnu, wanneer de bediening des doods, met letters op steen gegrift, in heerlijkheid is geweest, zodat de zonen Israëls het gelaat van Moses niet konden aanstaren om de voorbijgaande glans van zijn aanschijn,
8kiel do la administrado spirita ne estos pli multe en gloro?
8hoe veel te meer moet dan de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn!
9Ĉar se la administrado de kondamno estas gloro, multe pli abunde la administrado de justeco superas en gloro.
9En wanneer de bediening der verdoeming heerlijk was, hoeveel te meer moet de bediening der rechtvaardiging overvloeien van heerlijkheid!
10Ĉar vere tio, kio havis gloron, ne estis glorigita en ĉi tiu rilato, pro la superabunda gloro.
10Ja, wat eens verheerlijkt was, is in vergelijking met deze allesovertreffende heerlijkheid toch eigenlijk nooit zó verheerlijkt geweest.
11Ĉar se tio, kio forpasas, havis gloron, ankoraŭ pli multe tio, kio restadas, estas en gloro.
11Want indien het vergankelijke van heerlijkheid is omgeven, hoeveel te meer is dan het onvergankelijke in heerlijkheid!
12Havante do tian esperon, ni uzas grandan liberecon de parolo,
12In het bezit van zulk een hoop, tonen we ook grote openhartigheid;
13kaj ne kiel Moseo, kiu metis vualon sur sian vizaĝon, por ke la Izraelidoj ne fikse rigardu ĝis finiĝo de tio, kio estis forpasanta;
13en wij doen niet als Moses, die een sluier voor zijn gelaat trok, opdat de zonen Israëls het einde niet zouden zien van de voorbijgaande glans.
14sed iliaj animoj sensentiĝis; ĉar eĉ ĝis hodiaŭ, ĉe la legado de la malnova testamento, nelevita restadas tiu sama vualo, kiu estas forigita en Kristo,
14Waarlijk, hun begrip is er door afgestompt. Want tot op de dag van heden is diezelfde sluier blijven hangen bij de voorlezing van het oude Verbond; want er werd niet ontsluierd, dat het een einde kreeg door Christus.
15sed ĝis hodiaŭ, kiam ajn oni legas Moseon, vualo kuŝas sur ilia koro.
15Ja, tot heden toe ligt er een sluier over hun hart, telkens als Moses wordt voorgelezen.
16Sed kiam ajn oni turnas sin al la Sinjoro, la vualo estas forprenata.
16Maar de sluier wordt weggenomen, als men zich wendt tot den Heer;
17La Sinjoro estas la Spirito; kaj kie estas la Spirito de la Sinjoro, tie estas libereco.
17want de Heer is de Geest, en waar de Geest des Heren is, daar is vrijheid.
18Sed ni ĉiuj, per nevualita vizaĝo spegulante la gloron de la Sinjoro, transformiĝas en la saman bildon, de gloro al gloro, kiel el la Sinjoro la Spirito.
18En wij allen spiegelen met ongesluierd gelaat de heerlijkheid des Heren terug, en worden zelfs steeds heerlijker in zijn beeld herschapen, zoals dit door ‘s Heren Geest geschiedt.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.