2 Korintanoj 11
Londona Biblio (Esperanto, 1910)Translation
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Mi volas, ke vi pacience toleru min pro iom da malsaĝeco; sed efektive vi ja pacience min toleras.
1Och, verdraagt van mij eens wat onverstand! Zeker, dat verdraagt gij wel van mij.
2Ĉar mi ĵaluzas pri vi per Dia ĵaluzo, ĉar mi fianĉigis vin al unu edzo, por ke mi prezentu vin kiel ĉastan virgulinon al Kristo.
2Want ik ben naijverig op u met goddelijke ijverzucht. Want aan één man heb ik u verloofd, om u als reine maagd aan Christus’ zijde te stellen;
3Sed mi timas, ke kiel trompis Evan la serpento per sia ruzeco, viaj animoj iel dekliniĝos for de la simpleco kaj la ĉasteco, kiu estas en Kristo.
3en nu bekruipt mij de vrees, dat zoals de slang met haar arglist Eva bedroog, ook úw gezindheid verleid wordt en afgeleid van de oprechte trouw (en de reinheid) tot Christus.
4Ĉar se iu vizitanto predikas alian Kriston, kiun ni ne predikis, aŭ se vi ricevas malsaman spiriton, kiun vi ne ricevis, aŭ malsaman evangelion, kiun vi ne akceptis, facilanime vi lin toleras.
4Want als er iemand optreedt, om u een anderen Jesus te preken dan wij u hebben verkondigd, of als gij een anderen Geest gaat krijgen dan gij ontvangen hebt, of een ander Evangelie dan gij hebt aangenomen, dan verdraagt gij dit al heel gemakkelijk.
5Ĉar mi opinias, ke mi neniel malsuperas la plej eminentajn apostolojn.
5Toch meen ik in geen enkel opzicht te moeten onderdoen voor dergelijke buitengewoon uitmuntende apostelen.
6Kaj kvankam mi estas neklera laŭ parolo, mi tamen ne tia estas laŭ scio; sed en ĉio ni malkaŝe agis ĉe vi inter ĉiuj.
6Ook al zou ik een leek zijn in het spreken, op het stuk van kennis ben ik het niet; want die hebben we u ten allen tijde en op alle punten wel heel duidelijk meegedeeld.
7Aŭ ĉu mi pekis, humiligante min, por ke vi estu altigitaj, en tio, ke mi senpage predikis al vi la evangelion de Dio?
7Of heb ik er verkeerd aan gedaan, met u om niet Gods Evangelie te verkondigen, mijzelf vernederend om u te verheffen?
8Mi senigis aliajn ekleziojn, ricevante de ili pagon, por servi al vi;
8Andere gemeenten heb ik ontriefd door vergoeding aan te nemen voor het dienen van u.
9kaj kiam mi ĉeestis ĉe vi kaj havis mankon, mi ne estis ŝarĝo sur iu; ĉar la fratoj, veninte el Makedonujo, plenigis la mezuron de mia bezono; kaj en ĉio mi tenis min ne ŝarĝa rilate vin, kaj ankoraŭ tenos.
9En toen ik bij mijn verblijf onder u nog te kort kwam, ben ik toch niemand lastig gevallen. Want de broeders, die uit Macedónië kwamen, hebben mijn tekort aangevuld, en ik heb mij er wèl voor gewacht, u op een of andere wijze tot last te zijn; en ik zal dit ook blijven doen.
10Jen estas la vero de Kristo en mi, ke ĉi tiu fanfarono ne estos barita kontraŭ mi en la regionoj Aĥajaj.
10Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is: in de streken van Achaja laat ik me die roem niet verkleinen.
11Kial? ĉu tial, ke mi vin ne amas? Dio scias.
11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? Dat weet God.
12Sed kiel mi faras, tiel mi ankaŭ faros, por forigi la pretekston al tiuj, kiuj deziras pretekston, por ke, en kio ili fieras, ili troviĝu samaj, kiel ni.
12Maar ik doe het, en zal het blijven volhouden, om hun de kans te ontnemen, die er op uit zijn, om in dingen, waarop men groot kan gaan, helemaal aan ons gelijk te zijn.
13Ĉar tiaj homoj estas falsaj apostoloj, trompemaj laboristoj, sin aliformante kvazaŭ apostolojn de Kristo.
13Die lieden toch zijn schijn-apostelen, bedriegelijke arbeiders, die zich voordoen als Apostelen van Christus.
14Kaj nenia miro; ĉar Satano mem sin aliformas kvazaŭ anĝelon de lumo.
14En dit behoeft niemand te verwonderen; want ook Satan zelf vermomt zich als een engel des lichts.
15Estas do nenio granda, se liaj servantoj ankaŭ sin aliformas kvazaŭ servantojn de justeco; ilia finiĝo estos laŭ iliaj faroj.
15Het is dus niets bijzonders, dat ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars der gerechtigheid. Hun einde zal zijn naar hun werken.
16Denove mi diras: Neniu opiniu min malsaĝa; sed se vi ja tiel opinias min, tamen min akceptu kiel malsaĝan, por ke mi ankaŭ iom fanfaronu.
16Ik herhaal het: Niemand houde mij voor een dwaas; o f anders, ziet me maar aan voor een dwaas, dan mag ook ik mij een weinig gaan roemen.
17Tion, kion mi diras, mi diras ne laŭ la Sinjoro, sed kvazaŭ malsaĝe, en ĉi tiu insistado pri fierado.
17Zeker, wat ik op het punt van eigenroem ga zeggen, is niet naar ‘s Heren geest, maar in onverstand gesproken.
18Ĉar multaj fanfaronas laŭ la karno, do mi ankaŭ fanfaronos.
18Maar omdat er zovelen zijn, die roemen naar het vlees, zal ook ik het eens doen.
19Ĉar vi afable toleras malsaĝulojn, estante mem saĝaj.
19Gij verdraagt toch zo makkelijk de dwazen, omdat gij zelf o zo wijs zijt!
20Ĉar vi toleras homon, se li vin sklavigas, se li vin formanĝas, se li vin kaptas, se li sin altigas, se li batas al vi la vizaĝon.
20Gij verdraagt het immers, als men u tyranniseert, als men u uitzuigt en beetneemt, als men verwaand is, en u in het aangezicht slaat.
21Mi parolas kvazaŭ per sinmallaŭdo, kvazaŭ ni estus malfortiĝintaj. Tamen pri kio iu kuraĝas, pri tio (mi parolas en malsaĝeco) mi ankaŭ kuraĝas.
21Ik moet het tot mijn schande bekennen: daartoe zijn wij te zwak geweest! Maar voor de rest—ik spreek in onverstand wat een ander aandurft, dat durf ik ook.
22Ĉu ili estas Hebreoj? mi ankaŭ. Ĉu ili estas Izraelidoj? mi ankaŭ. Ĉu ili estas el la idaro de Abraham? mi ankaŭ.
22Zij zijn Hebreën? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn Abrahams zaad? Ik ook.
23Ĉu ili estas servantoj al Kristo? (mi parolas kiel frenezulo) mi plie; en laboroj pli abunde, en malliberejoj pli abunde, en batoj supermezure, en mortiĝoj ofte.
23Zij zijn dienaars van Christus? Ik spreek als een onwijze: Ik veel meer; in zwoegen veel meer, in gevangenschappen veel meer, in slagen overvloedig, in doodsgevaren heel vaak.
24De la Judoj kvinfoje mi ricevis batojn po kvardek sen unu.
24Van de Joden kreeg ik vijfmaal de veertig min één;
25Trifoje mi estas batita per vergoj, unufoje mi estas priĵetita per ŝtonoj, trifoje mi suferis ŝippereon, nokton kaj tagon mi pasis en la profunda maro;
25driemaal ben ik met de roede gegeseld; ééns gestenigd; driemaal heb ik schipbreuk geleden; ééns een heel etmaal rondgezwalkt in het holle der zee.
26en oftaj vojaĝoj, en danĝeroj de riveroj, danĝeroj de rabistoj, danĝeroj de Judoj, danĝeroj de la nacianoj, danĝeroj en urbo, danĝeroj en dezerto, danĝeroj en la maro, danĝeroj inter falsaj fratoj;
26Op zwerftochten menigmaal, in gevaren van rivieren, gevaren van rovers, gevaren van eigen volk, gevaren van heidenen, gevaren in de stad, gevaren in de woestijn, gevaren op zee, gevaren onder valse broeders.
27en laboro kaj sufero, en oftaj sendormiĝoj, en malsato kaj soifo, en oftaj fastoj, en malvarmo kaj senvesteco.
27Onder arbeid en zwoegen vaak zonder slaap, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid.
28Krom tiuj aferoj eksteraj estas tio, kio min premas ĉiutage, nome la zorgado pri ĉiuj eklezioj.
28En behalve de rest, de toeloop nog, dag in, dag uit; de zorg voor alle kerken.
29Kiu estas malforta, kaj mi ne estas malforta? kiu estas faligata, kaj mi ne indignas?
29Wie is er zwak, en ik voel me niet zwak? Wie ondervindt ergernis, en ik gloei niet van toorn?
30Se mi nepre devas fanfaroni, mi fanfaronos pri tio, kio rilatas al mia malforteco.
30Moet er geroemd worden, dan wil ik op mijn zwakheid gaan roemen.
31La Dio kaj Patro de la Sinjoro Jesuo, Tiu, kiu ĉiam estas benata, scias, ke mi ne mensogas.
31Ik lieg niet; dat weet de God en Vader van den Heer Jesus, in eeuwigheid geprezen.
32En Damasko, la urbestro sub la reĝo Aretas starigis gardistaron en la urbo de la Damaskanoj, por min kapti;
32Toen ik in Damascus was, liet de stadhouder van koning Aretas de stad der Damascenen bewaken, om zich van me meester te maken;
33kaj tra fenestro oni min delasis laŭflanke de la muro en korbo, kaj mi eliĝis de liaj manoj.
33maar door een venster werd ik in een mand over de muur naar beneden gelaten, en zó ontkwam ik aan zijn handen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.