Matouš 6
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Pilně se varujte, abyste almužny vaší nedávali před lidmi, proto abyste byli vidíni od nich, jinak nebudete míti odplaty u Otce vašeho, jenž jest v nebesích.
1Zorgt er voor, dat gij uw gerechtigheid niet beoefent voor het oog van de mensen, om door hen gezien te worden; anders zult gij geen loon ontvangen bij uw Vader, die in de hemel is.
2Protož když dáváš almužnu, netrub před sebou, jako pokrytci činí v školách a na ulicech, aby chváleni byli od lidí. Amen pravím vám, majíť odplatu svou.
2Wanneer ge dus een aalmoes geeft, laat het dan niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars dit doen in de synagogen en op de straten, om geëerd te worden door de mensen; voorwaar, Ik zeg u: Ze hebben hun loon reeds ontvangen.
3Ale ty když dáváš almužnu, tak čiň, ať neví levice tvá, co činí pravice tvá,
3Maar als gij een aalmoes geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet,
4Aby almužna tvá byla v skrytě, a Otec tvůj, kterýž vidí v skrytě, odplatí tobě zjevně.
4opdat uw aalmoes verborgen blijft; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.
5A když bys se chtěl modliti, nebývejž jako pokrytci, kteříž obyčej mají, v školách a na úhlech rynku stojíce, modliti se, aby byli vidíni od lidí. Amen pravím vám, žeť mají odplatu svou.
5En als gij bidt, doet dan niet als de schijnheiligen, die er van houden, in de synagogen en op de hoeken der straten te staan bidden, om door de mensen gezien te worden; voorwaar, Ik zeg u: Ze hebben hun loon ontvangen.
6Ale ty když bys se modliti chtěl, vejdi do pokojíka svého, a zavra dveře své, modliž se Otci svému, jenž jest v skrytě, a Otec tvůj, kterýž vidí v skrytě, odplatí tobě zjevně.
6Maar als gij bidt, ga dan uw binnenkamer in, sluit de deur, en bid uw Vader in het verborgen; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.
7Modléce se pak, nebuďtež marnomluvní jako pohané; nebo se domnívají, že mnohomluvností svou to způsobí, aby byli uslyšáni.
7Als gij bidt, gebruikt dan geen stortvloed van woorden, zoals de heidenen dit doen; want ze menen, dat ze om hun vele woorden worden verhoord.
8Nepřirovnávejtež se tedy jim, neboť ví Otec váš, čeho jest vám potřebí, prve nežli byste vy ho prosili.
8Doet niet zoals zij; want uw Vader weet, wat gij nodig hebt, vóórdat gij er Hem om vraagt.
9A protož vy takto se modlte: Otče náš, jenž jsi v nebesích, posvěť se jméno tvé.
9Zó zult gij dus bidden: Onze Vader, die in de hemel zijt: Uw naam worde geheiligd.
10Přijď království tvé. Buď vůle tvá jako v nebi tak i na zemi.
10Uw rijk kome. Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel.
11Chléb náš vezdejší dej nám dnes.
11Geef ons heden ons dagelijks brood.
12A odpusť nám viny naše, jakož i my odpouštíme vinníkům našim.
12En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.
13I neuvoď nás v pokušení, ale zbav nás od zlého. Nebo tvé jest království, i moc, i sláva, na věky, Amen.
13En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.
14Nebo budete-li odpouštěti lidem viny jejich, odpustíť i vám nebeský Otec váš.
14Want zo gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
15Jestliže pak neodpustíte lidem vin jejich, aniž Otec váš odpustí vám hříchů vašich.
15Maar vergeeft gij aan de mensen niet, dan zal uw Vader ook uw fouten niet vergeven.
16Když byste se pak postili, nebývejtež jako pokrytci zasmušilí; neboť pošmuřují tváří svých, aby vědomé bylo lidem, že se postí. Amen pravím vám, vzaliť jsou odplatu svou.
16Wanneer gij vast, trekt dan geen somber gezicht zoals de huichelaars; want ze verwringen hun gelaat, opdat de mensen hun vasten zouden zien. Voorwaar, Ik zeg u: Ze hebben hun loon al ontvangen.
17Ty pak, když se postíš, pomaž hlavy své a tvář svou umej,
17Maar als gij vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht,
18Aby nebylo zjevné lidem, že se postíš, ale Otci tvému, kterýž jest v skrytě. A Otec tvůj, kterýž vidí v skrytosti, odplatí tobě zjevně.
18opdat de mensen uw vasten niet merken, maar uw Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.
19Neskládejte sobě pokladů na zemi, kdežto mol a rez kazí, a kdež zloději vykopávají a kradou.
19Verzamelt u geen schatten op aarde, waar roest en worm ze verteren, en waar dieven ze opgraven en stelen.
20Ale skládejte sobě poklady v nebi, kdežto ani mol ani rez kazí, a kdežto zloději nevykopávají ani kradou.
20Maar verzamelt u schatten in de hemel, waar roest noch worm ze verteren, en waar geen dieven ze opgraven en stelen.
21Nebo kdežť jest poklad váš, tuť jest i srdce vaše.
21Want waar uw schat is, daar is ook uw hart.
22Svíce těla jestiť oko; jestliže oko tvé sprostné bylo by, všecko tělo tvé světlé bude.
22Het oog is de lamp van het lichaam. Als uw oog goed is, zal heel uw lichaam verlicht zijn.
23Pakliť by oko tvé bylo nešlechetné, všecko tělo tvé tmavé bude. Protož jestliže světlo, kteréž jest v tobě, jest tma, co pak sama tma, jaká bude?
23Maar deugt uw oog niet, dan zal heel uw lichaam in het duister zijn. Zo dus het licht, dat in u is, duisternis wordt, hoe groot dan zal die duisternis zijn!
24Žádný nemůže dvěma pánům sloužiti. Nebo zajisté jednoho nenáviděti bude, a druhého milovati, aneb jednoho přídržeti se bude, a druhým pohrdne. Nemůžte Bohu sloužiti i mamoně.
24Niemand kan twee heren dienen; hij zal of den een haten en den ander beminnen, of den een aanhangen en den ander verachten. Gij kunt God niet dienen en de mammon.
25Protož pravím vám: Nepečujte o život váš, co byste jedli a co pili, ani o tělo vaše, čím byste je odívali. Zdaliž není život více nežli pokrm, a tělo více nežli oděv?
25Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij zult eten of drinken; noch voor uw lichaam, waarmee gij u zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam niet meer dan de kleding?
26Hleďte na ptactvo nebeské, žeť nesejí ani žnou, ani shromažďují do stodol, avšak Otec váš nebeský krmí je. I zdaliž vy jich mnohem nepřevyšujete?
26Ziet de vogels in de lucht; ze zaaien noch maaien, en verzamelen niet in schuren; en toch voedt ze uw hemelse Vader.
27A kdo z vás pečlivě mysle, může přidati ku postavě své loket jeden?
27Zijt gij niet meer waard dan zij? En wie van u kan door zijn tobben een el toevoegen aan zijn levensweg?
28A o oděv proč pečujete? Poučte se na kvítí polním, kterak roste, nepracuje ani přede.
28En wat zijt gij over kleding bekommerd? Denkt aan de lelies op het veld, hoe ze groeien; ze werken niet, en spinnen niet.
29A aj, pravím vám, že ani Šalomoun ve vší slávě své tak odín nebyl, jako jedno z nich.
29En toch zeg Ik u, dat zelfs Sálomon in al zijn heerlijkheid niet gekleed was als een van deze.
30Poněvadž tedy trávu polní, ješto dnes jest, a zítra do peci bývá vložena, Bůh tak odívá, i zdaliž mnohem více vám toho nečiní, ó malé víry?
30Als God nu het kruid op het veld, dat vandaag nog bestaat en morgen in de oven wordt geworpen, zó aankleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?
31Nepečujtež tedy, říkajíce: Co budeme jísti? anebo: Co budeme píti? anebo: Èím se budeme odívati?
31Weest dus niet bezorgd, en zegt niet: wat zullen we eten, of wat zullen we drinken, of waarmee zullen we ons kleden?
32Nebo toho všeho pohané hledají. Víť zajisté Otec váš nebeský, že toho všeho potřebujete.
32Hiernaar toch vragen de heidenen; uw hemelse Vader weet, dat gij dit allemaal nodig hebt.
33Ale hledejte vy nejprv království Božího a spravedlnosti jeho, a toto vše bude vám přidáno.
33Maar zoekt eerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u worden geschonken als toegift.
34Protož nepečujte o zítřejší den, nebo zítřejší den pečovati bude o své věci. Dostiť má den na svém trápení.
34Weest dus niet bekommerd voor de dag van morgen. Want de dag van morgen zal bezorgd zijn voor zichzelf; iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.