Ezechiel 4
Kralice Bible (1613)Translation
Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ty pak synu člověčí, vezmi sobě cihlu, a polože ji před sebe, vyrej na ní město Jeruzalém.
1Mensenkind, haal een tegel; leg die voor u neer en teken er een stad op: Jerusalem.
2A postav na ní obležení, a vzdělaje na ní šance, vysyp na ní násyp, a polož na ní vojska, a postav na ní berany válečné vůkol.
2Sla het beleg er omheen, werp er verschansingen op, leg er een wal om, richt er legerkampen in, en stel aan alle zijden stormrammen op.
3Potom vezmi sobě pánev železnou, a polož ji místo zdi železné, mezi tebou a mezi městem, a zatvrď tvář svou proti němu, ať jest obleženo, a oblehneš je. Toť bude znamením domu Izraelskému.
3Dan moet ge een ijzeren plaat nemen, die opstellen als een muur van ijzer tussen u en de stad, en er onafgebroken naar kijken. Zo zal ze ingesloten zijn, zo zult ge haar belegeren; zo wordt het tot een teken voor het huis van Israël.
4Ty pak lehni na levý bok svůj, a vlož na něj nepravost domu Izraelského. Podlé počtu dnů, v němž ležeti budeš na něm, poneseš nepravost jejich.
4Ga vervolgens op uw linkerzijde liggen, om de schuld van het huis van Israël te dragen: zoveel dagen als ge daarop blijft liggen, zult ge hun schuld dragen.
5A já dávám tobě léta nepravosti jejich v počtu dnů, tři sta a devadesáte dnů, v nichž poneseš nepravost domu Izraelského.
5Want de jaren van hun schuld laat Ik u in een getal van dágen uitdrukken: drie honderd en negentig dagen. Zolang moet ge de schuld van het huis van Israël dragen!
6Když je pak vyplníš, budeš ležeti na pravém boku podruhé, a poneseš nepravost domu Judova čtyřidceti dnů. Den za rok, den za rok dávám tobě.
6Als ge daarmee klaar zijt, moet ge op uw rechterzijde gaan liggen, om veertig dagen lang de schuld van het huis van Juda te dragen: voor ieder jaar leg Ik u telkens één dag op.
7K obležení, pravím, Jeruzaléma zatvrď tvář svou, ohrna ruku svou, a prorokuje proti němu.
7Ge moet onafgebroken uw blik en uw ontblote arm naar het belegerde Jerusalem richten en tegen haar profeteren!
8A aj, dávám na tě provazy, abys se neobracel z boku jednoho na druhý, dokudž nevyplníš dnů obležení svého.
8Ook bind Ik u met touwen vast, opdat ge u niet van de ene zijde op de andere kunt keren, voordat de dagen dat gij haar belegert, voorbij zijn.
9Protož ty vezmi sobě pšenice a ječmene, též bobu, šočovice, i prosa, a špaldy, a dej to do jedné nádoby, abys sobě nastrojil z toho pokrmu podlé počtu dnů, v nichž ležeti budeš na boku svém. Za tři sta a devadesáte dnů jísti jej budeš.
9Ook moet ge tarwe halen en gerst bonen en linzen, gierst en spelt. Doe dat in éne schaal, en bereid daar uw brood van; zolang ge op uw zijde ligt, drie honderd en negentig dagen, moet ge dat eten.
10Pokrmu pak tvého, kterýž jísti budeš, váha bude dvadceti lotů na den. Od času až do času jísti jej budeš.
10Het voedsel, dat ge eet, moet ge wegen: twintig sikkel per dag moogt ge op vastgestelde tijden gebruiken.
11Vodu také na míru píti budeš, šestý díl hin; od času do času píti budeš.
11Ook het water moet ge bij de maat gebruiken: het zesde van een hin moogt ge op vastgestelde tijden drinken.
12Podpopelný pak chléb ječný, kterýž jísti budeš, ten lejny nečistoty lidské pec před očima jejich.
12Ook moet ge een gerstenkoek eten, en die voor hun ogen op mensendrek bakken.
13I řekl Hospodin: Tak budou jísti synové Izraelští chléb svůj nečistý pro pohany, kteréž tam shromáždím.
13En Jahweh verklaarde: Zó zullen ook de Israëlieten hun onreine spijzen eten onder de volken, waarheen Ik ze ga verstrooien.
14Tedy řekl jsem: Ach, Panovníče Hospodine, aj, duše má není poškvrněna mrchami, a udáveného nejedl jsem od dětinství svého až podnes, aniž vešlo v ústa má maso ohavné.
14Maar ik zeide: Ach Jahweh, mijn Heer, ik heb mij nog nooit verontreinigd; van gestorven of verscheurde dieren heb ik van mijn jeugd af tot nu toe nooit gegeten; en in mijn mond is nog geen bedorven vlees gekomen!
15Kterýž řekl mi: Aj, dávámť kravince místo lejn lidských, abys sobě jimi napekl chleba.
15Toen sprak Hij: Welnu, dan sta Ik u toe, rundermest in plaats van mensendrek te gebruiken; daarop kunt ge uw brood bereiden.
16Za tím řekl mi: Synu člověčí, aj, já zlámi hůl chleba v Jeruzalémě, tak že jísti budou chléb na váhu, a to s zámutkem, a vodu na míru píti, a to s předěšením,
16En Hij sprak tot mij: Mensenkind, Ik ga in Jerusalem de broodstok breken. Ze zullen hun brood bij het gewicht en met bezorgdheid eten, en het water bij de maat en in vertwijfeling drinken,
17Aby nedostatek majíce v chlebě a v vodě, děsili se jeden každý z nich, a svadli pro nepravost svou.
17opdat ze bij gebrek aan brood en water elkander angstig zullen aanzien, en in hun schuld verkwijnen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.