Ámos
Chapter 3
Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Ámos 3

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Slyšte slovo to, kteréž mluví Hospodin proti vám, synové Izraelští, proti vší té rodině, kterouž jsem vyvedl z země Egyptské, řka:
1Hoort dit woord, Dat Jahweh heeft gesproken Over u, kinderen van Israël: Over heel het geslacht, Dat Ik geleid heb Uit het land van Egypte!
2Toliko vás samy poznal jsem ze všeliké rodiny země, protož trestati vás budu ze všech nepravostí vašich.
2Voor u alleen heb Ik zorg gedragen Onder alle geslachten der aarde: Maar daarom zal Ik u ook bestraffen Voor al uw zonden!
3Zdaliž půjdou dva spolu, leč by se snesli?
3Wandelt men ooit tezamen, Zonder iets met elkaar te bespreken?
4Zdaliž zařve lev v lese, když by nebylo žádné loupeže? Vydá-liž lvíček hlas svůj z peleše své, kdyby lapiti neměl?
4Brult ooit een leeuw in het woud, Als hij geen prooi heeft bemachtigd; Of gromt de jonge leeuw uit zijn hol, Als hij geen buit heeft gemaakt?
5Padne-liž ptáče do osídla na zem, když by žádné léčky nebylo? Bude-liž zdviženo osídlo z země, když by nic neuvázlo?
5Werpt zich een vogel in de knip op de grond, Wanneer er geen lokaas voor hem ligt; Of springt een knip van de bodem op, Zonder dat ze iets vangt?
6Zdaliž když se troubí trubou v městě, lid s strachem se nezbíhá? Zdaž když se má státi v městě co zlého, Hospodin toho známa nečiní?
6Wordt de bazuin in de stad geblazen, Zonder dat het volk ervan schrikt; Of barst er een onheil los in de stad, Dat Jahweh niet heeft beschikt?
7Nečiníť zajisté Panovník Hospodin ničeho, leč by zjevil tajemství své služebníkům svým prorokům.
7Zeker, niets doet Jahweh, de Heer, Zonder de profeten, zijn dienaars, zijn plan te openbaren:
8Lev řve, kdož by se nebál? Panovník Hospodin velí, kdož by neprorokoval?
8Maar de leeuw heeft al gebruld, Wie zou er niet vrezen; Jahweh, de Heer, heeft gesproken, Wie profeteert er dan niet?
9Rozhlaste po palácích v Azotu, a po palácích v zemi Egyptské, a rcete: Sbeřte se na hory Samaří, a vizte znepokojení veliká u prostřed něho a nátisk trpící v něm,
9Roept het uit op de burchten van Assjoer, Op de burchten in het land van Egypte; Schreeuwt het uit: Komt bijeen Op Samaria’s gebergte! Aanschouwt in zijn veste de grote ontreddering, De verdrukkingen binnen zijn muren!
10A že neumějí dělati upřímě, dí Hospodin. Poklady skládají z nátisku a loupeže na palácích svých.
10Ze weten niet meer rechtschapen te handelen, Is de godsspraak van Jahweh; Ze stapelen in hun paleizen De schatten van onrecht en geweldpleging op!
11Protož takto praví Panovník Hospodin: Aj, nepřítel, a to na zemi tuto vůkol, a tenť odejme od tebe sílu tvou, i budou rozchvátáni palácové tvoji.
11Daarom spreekt Jahweh, de Heer: De vijand zal uw land omsingelen; Uw sterkten worden gesloopt, Uw burchten geplunderd!
12Takto praví Hospodin: Jako když vytrhne pastýř z úst lva dva hnáty aneb kus ucha, tak vytrženi budou synové Izraelští, sedící v Samaří lhostejně na postelích, a na ložcích rozkošných.
12Zo spreekt Jahweh! Zoals een herder uit de muil van de leeuw Een paar schenkels redt, of een lap van een oor: Zo worden de kinderen van Israël gered, Die binnen Samaria in een hoek van een rustbank zitten, Of op kussens van damast!
13Slyšte a osvědčte v domě Jákobově, dí Panovník Hospodin, Bůh zástupů,
13Hoort en betuigt het aan Jakobs huis: Spreekt Jahweh, de Heer, der heirscharen God!
14Že v ten den, když Izraele trestati budu pro přestoupení jeho, navštívím také oltáře v Bethel, a odťati budou rohové oltáře, tak že spadnou na zem.
14Wanneer Ik op Israël zijn zonden ga wreken, Zal Ik Mij wreken op de altaren van Betel; De hoornen van het altaar worden afgehouwen, En storten neer op de grond!
15A udeřím domem zimním o dům letní, i zahynou domové z kostí slonových, a konec vezmou domové velicí, praví Hospodin.
15Ik verniel de winter- en zomerverblijven, De ivoren paleizen worden verwoest, En talloze huizen gesloopt: Is de godsspraak van Jahweh!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.