2 Korintským
Chapter 12

2 Korintským

Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

2 Korintským 12

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Ale chlubiti mi se není dobré, nebo přišel bych k vypravování o viděních a zjeveních Páně.
1Moet er geroemd worden, al dient het nergens toe, dan kom ik nu aan de visioenen en openbaringen des Heren.
2Znám člověka v Kristu před lety čtrnácti, (v těle-li, nevím, čili krom těla, nevím, Bůhť ví,) kterýž byl vtržen až do třetího nebe.
2Ik ken een mens in Christus, die veertien jaar geleden naar de derde hemel is weggevoerd, —in het lichaam: ik weet het niet, of buiten het lichaam: ik weet het niet, God weet het.
3A vím takového člověka, (bylo-li v těle, čili krom těla, nevím, Bůh ví),
3En ik weet van dien mens, dat hij in het Paradijs is opgenomen, —in het lichaam of buiten het lichaam: ik weet het niet, God weet het;
4Že jest byl vtržen do ráje, a slyšel nevypravitelná slova, kterýchž nesluší člověku mluviti.
4en dat hij onuitsprekelijke woorden hoorde, die een mens niet nazeggen kan.
5Takovým budu se chlubiti, ale sám sebou nechci se chlubiti, než toliko nemocmi svými.
5Over hem zal ik roemen; over mijzelf zal ik het niet doen, dan alleen in mijn zwakheden.
6Nebo budu-li se chtíti chlubiti, nebuduť proto nemoudrým, nebo pravdu povím; ale uskrovnímť, aby někdo nesmýšlel více, nežli vidí při mně, aneb slyší ode mne.
6Maar al wilde ik ook roemen, toch was ik geen dwaas, omdat ik de waarheid spreek; maar ik doe het niet, opdat niemand meer van mij denken zal, dan wat hij van mij ziet of hoort,
7A abych se vysokostí zjevení nad míru nepozdvihl, dán mi jest osten do těla, totiž anděl satan, aby mne poličkoval, abych se nad míru nepovyšoval.
7zelfs niet op grond van buitengewone openbaringen. En opdat ik hierop niet ijdel zou worden, is mij een doorn in het vlees gestoken; een engel van Satan, om mij met vuisten te slaan, opdat ik niet hoogmoedig zou worden.
8Za to třikrát jsem Pána prosil, aby to odstoupilo ode mne.
8Tot driemaal toe bad ik den Heer, dat hij zou weggaan van mij.
9Ale řekl mi: Dosti máš na mé milosti, neboť moc má v nemoci dokonává se. Nejraději tedy chlubiti se budu nemocmi svými, aby ve mně přebývala moc Kristova.
9Maar Hij heeft mij gezegd: “Mijn genade is u genoeg; want juist bij zwakheid komt de Kracht tot haar recht!” Het liefst zal ik dus op mijn zwakheden roemen, opdat de kracht van Christus in mij mag wonen.
10Protož libost mám v nemocech svých, v pohaněních, v nedostatcích, v protivenstvích, a v úzkostech, pro Krista. Nebo když mdlím, tedy silen jsem.
10En zelfs verheug ik mij om Christus’ wil over zwakheid en smaad, over noden, vervolgingen en angsten. Want als ik zwak ben, ben ik sterk.
11Učiněn jsem nemoudrým, chlubě se; vy jste mne k tomu přinutili. Neb já od vás měl jsem chválen býti; neboť jsem nic menší nebyl velikých apoštolů, ačkoli nic nejsem.
11Zeker, ik ben onverstandig geweest; maar gij hebt me er toe gedwongen. Want eigenlijk had ik moeten geprezen worden door ú. Want al ben ik ook niets, toch sta ik in niets ten achter bij die buitengewone apostelen;
12Znamení zajisté apoštolství mého prokázána jsou mezi vámi ve vší trpělivosti, i v divích a v zázracích, a v mocech.
12de kentekenen toch van Apostel zijn onder u uitgewerkt met het grootste geduld, door wondertekenen, mirakels en krachten.
13Neb co jest, čeho byste vy méně měli nežli jiné církve, leč to, že jsem já vás neobtěžoval? Odpusťtež mi to bezpráví.
13Waarin zijt gij dan wel bij de andere kerken achtergesteld? Alleen hierin, dat ikzelf u niet tot last ben geweest. Vergeeft me dit onrecht.
14Aj, již potřetí hotov jsem přijíti k vám, a nebuduť vás obtěžovati. Nebo nehledám toho, což jest vašeho, ale vás. Neboť nemají synové rodičům pokladů shromažďovati, ale rodičové synům.
14Zie, ik sta op het punt, om voor de derde keer tot u te komen, en weer zal ik u niet tot last zijn. Want ik zoek niet het uwe, maar u. Niet de kinderen moeten schatten beleggen voor de ouders, maar de ouders voor de kinderen.
15Jáť pak velmi rád náklad učiním, i sám se vynaložím za duše vaše, ačkoli velmi vás miluje, málo jsem milován.
15Ik zal me dus gaarne offers getroosten, me zelfs uitputten voor uw zielen. En wanneer ik u zo grenzeloos liefheb, zou ik dan minder wederliefde ontvangen?
16Ale nechťž jest tak, že jsem já vás neobtěžoval, než chytrý jsa, lstí jsem vás zjímal.
16Goed! Persoonlijk ben ik u niet tot last geweest, maar als sluw mens heb ik u met list beet gehad.
17Zdali skrze někoho z těch, kteréž jsem poslal k vám, obloupil jsem vás?
17Heb ik u soms uitgebuit door één van hen, die ik u zond?
18Dožádal jsem se Tita, a poslal jsem s ním bratra toho. Zdali vás Titus podvedl? Zdaliž jsme jedním duchem nechodili? Zdaliž ne jedněmi šlépějemi?
18Hiervoor bestemde ik Titus, en zond den broeder met hem mee. Heeft Titus u dan uitgebuit? Hebben we niet in dezelfde geest, niet in dezelfde sporen gewandeld?
19A zase domníváte-li se, že my se vymlouváme před vámi? Před obličejemť Božím v Kristu mluvíme, a to všecko, nejmilejší, k vašemu vzdělání.
19Gij zijt zeker reeds lang in de mening, dat we ons bij u aan het verdedigen zijn. Voor God en in Christus betuigen we: dit alles, geliefden, geschiedde om u te stichten.
20Neboť se bojím, abych snad přijda k vám, nenalezl vás takových, jakýchž bych nechtěl, a já nebyl nalezen od vás, jakéhož byste vy nechtěli, aby snad nebyli mezi vámi svárové, závistí, hněvové, vády, utrhání, reptání, nadýmání, různice,
20Want ik vrees, dat ik bij mijn komst u misschien niet zó zal vinden, als ik gaarne zou wensen; en dat ikzelf niet door u zal bevonden worden, zoals gij het verlangt; dat er misschien twist zal bestaan, naijver, wrok, partijzucht, kwaadspreken, laster, verwaandheid, wanordelijkheid;
21Aby mne opět, když bych přišel, neponížil Bůh můj u vás, a plakal bych mnohých z těch, kteříž jsou prve hřešili, a nečinili pokání z nečistoty, a z smilstva, a z nestydatosti, kterouž páchali.
21ook, dat bij mijn komst God me door u zal vernederen, en dat ik verdriet zal hebben over velen, die vroeger hebben gezondigd, en nog geen berouw hebben getoond over de onreinheid, ontucht en ongebondenheid, waaraan ze zich schuldig hebben gemaakt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.