1 Petrův
Chapter 2

1 Petrův

Kralice Bible (1613)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

1 Petrův 2

Kralice Bible (1613)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Protož složíce zlost, a všelikou lest, a pokrytství, a závist, i všecka utrhání,
1Legt dan af alle boosheid, valsheid, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij.
2Jakožto nyní zrozená nemluvňátka, mléka beze lsti, to jest Božího slova žádostivi buďte, abyste jím rostli,
2Weest, als pasgeboren kinderkens, begerig naar onvervalste geestelijke melk, om daardoor op te groeien tot zaligheid,
3Jestliže však okusili jste, kterak dobrotivý jest Pán.
3zo “gij reeds gesmaakt hebt, dat de Heer goedertieren is.”
4K kterémužto přistupujíce, jakožto k kameni živému, od lidí zajisté zavrženému, ale od Boha vyvolenému a drahému,
4Nadert tot Hem, de levende steen, —door de mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar bij God,
5I vy, jakožto kamení živé, vzdělávejte se v dům duchovní, kněžstvo svaté, k obětování duchovních obětí, vzácných Bohu skrze Jezukrista.
5en laat u als levende stenen opbouwen tot een geestelijke tempel, bestemd voor een heilig priesterschap, dat geestelijke offers brengt, welgevallig aan God door Jesus Christus.
6A protož praví Písmo: Aj, zakládámť na Sionu kámen úhelný, vybraný a drahý, a v kterýž kdokoli věří, nikoli nebude zahanben.
6Daarom staat er in de Schrift: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren steen, een kostbare hoeksteen; En wie in Hem gelooft, wordt niet beschaamd.”
7Vám tedy věřícím jest drahý, ale nepovolným kámen, kterýž zavrhli ti, jenž stavěli, tenť jest učiněn v hlavu úhelní, a kámen úrazu, a skála pohoršení,
7Voor u dus de eer, omdat gij gelooft. Maar voor wie niet geloven, blijft het gelden: “De steen, die de bouwlieden hadden verworpen, Is hoeksteen geworden;
8Totiž těm, jenž se urážejí na slovu, nepovolní jsouce, k čemuž i odloženi jsou.
8Maar ook een steen des aanstoots, En een rotsblok, waarover men struikelt.” Omdat ze het woord niet geloven, stoten ze zich; en hiertoe zijn ze voorbestemd.
9Ale vy jste rod vyvolený, královské kněžstvo, národ svatý, lid dobytý, abyste zvěstovali ctnosti toho, kterýž vás povolal ze tmy v předivné světlo své.
9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een aangeworven volk: om te verkondigen de deugden van Hem, die u riep uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht.
10Kteříž jste někdy ani lidem nebyli, nyní pak jste lid Boží; kteříž jste někdy byli nedošli milosrdenství, již nyní jste došli milosrdenství.
10Gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd.
11Nejmilejší, prosímť vás, abyste jakožto příchozí a pohostinní zdržovali se od tělesných žádostí, kteréž rytěřují proti duši,
11Geliefden, ik vermaan u, als pelgrims en vreemdelingen, u verre te houden van de vleselijke lusten, die strijd voeren tegen de ziel.
12Obcování vaše mezi pohany majíce dobré, aby místo toho, kdež utrhají vám jako zločincům, dobré skutky vaše spatřujíce, velebili Boha v den navštívení.
12Leidt onder de heidenen een voorbeeldig leven, opdat zij uw wandel, waarover ze thans u als boosdoeners lasteren, uit uw goede werken zullen leren kennen op de dag der bezoeking, en dan glorie zullen brengen aan God.
13Poddáni tedy buďte všelikému lidskému zřízení pro Pána, buďto králi, jako nejvyššímu,
13Weest onderdanig aan ieder menselijk gezag om ‘s Heren wil: aan den koning als opperheer;
14Buďto vladařům, jako od něho poslaným, ku pomstě zle činících a k chvále dobře činících.
14aan de landvoogden als zijn gezanten, om de boosdoeners te straffen en de goeden te prijzen.
15Nebo tak jest vůle Boží, abyste dobře činíce, zacpali ústa nemoudrých lidí z neznámosti vám utrhajících.
15Want het is de wil van God, dat gij, door het goede te doen, het onverstand van domme mensen tot zwijgen brengt.
16Buďtež jako svobodní, však ne jako zastření majíce své zlosti svobodu, ale jakožto služebníci Boží.
16Doet het als vrije mannen; niet als mensen, die de vrijheid als een dekmantel der boosheid gebruiken, maar als dienstknechten Gods.
17Všecky ctěte, bratrstvo milujte, Boha se bojte, krále v uctivosti mějte.
17Houdt alle mensen in ere, hebt de gemeenschap lief; vreest God, eert den koning!
18Služebníci poddáni buďte ve vší bázni pánům, netoliko dobrým a mírným, ale i zlým.
18Gij slaven, weest onderdanig aan uw meesters met alle ontzag; niet alleen aan de goede en vriendelijke, maar ook aan de lastige.
19Neb toť jest milé, jestliže kdo pro svědomí Boží snáší zámutky, trpě bez viny.
19Want dit is een welgevallige daad, wanneer men uit gewetensplicht tegenover God het leed verdraagt, dat men onverdiend moet lijden.
20Nebo jaká jest chvála, byste pak i snášeli pohlavkování, hřešíce? Ale jestliže dobře činíce, a bez viny trpíce, snášíte, toť jest milé před Bohem.
20Wat eer toch steekt er in, gelaten te zijn, als gij geslagen wordt, omdat gij misdaan hebt? Neen, dit is welgevallig aan God: gelaten te zijn, als gij lijdt, ofschoon gij goed hebt gehandeld.
21Nebo i k tomu povoláni jste, jako i Kristus trpěl za nás, nám pozůstaviv příklad, abychom následovali šlépějí jeho.
21Hiertoe immers zijt gij geroepen; want ook Christus heeft geleden voor u, en u een voorbeeld nagelaten, opdat gij zijn voetstappen zoudt volgen.
22Kterýž hříchu neučinil, aniž jest lest nalezena v ústech jeho.
22Hij heeft geen zonde bedreven, en er was geen bedrog in zijn mond;
23Kterýžto, když mu zlořečili, nezlořečil zase; trpěv, nehrozil, ale poroučel křivdy tomu, jenž spravedlivě soudí.
23toch hoonde Hij niet, als Hij gehoond werd, en dreigde Hij niet, als Hij leed; maar Hij liet het over aan Hem, die met rechtvaardigheid oordeelt.
24Kterýžto hříchy naše na svém těle sám vnesl na dřevo, abychom hříchům zemrouce, spravedlnosti živi byli, jehož zsinalostí uzdraveni jste.
24Hij zelf heeft aan het kruishout in zijn Lichaam onze zonden gedragen, opdat wij, van de zonden ontlast, voor de gerechtigheid zouden leven. Door zijn striemen zijt gij genezen;
25Nebo jste byli jako ovce bloudící, ale již nyní obráceni jste ku pastýři a biskupu duší vašich.
25want als schapen hebt gij rondgedwaald, maar thans zijt gij teruggekeerd tot den Herder, tot Hem, die uw zielen behoedt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.