Petri I
Chapter 2

Petri I

Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Petri I 2

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Deponentes igitur omnem malitiam, et omnem dolum, et simulationes, et invidias, et omnes detractiones,
1Legt dan af alle boosheid, valsheid, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij.
2sicut modo geniti infantes, rationabile, sine dolo lac concupiscite: ut in eo crescatis in salutem:
2Weest, als pasgeboren kinderkens, begerig naar onvervalste geestelijke melk, om daardoor op te groeien tot zaligheid,
3si tamen gustastis quoniam dulcis est Dominus.
3zo “gij reeds gesmaakt hebt, dat de Heer goedertieren is.”
4Ad quem accedentes lapidem vivum, ab hominibus quidem reprobatum, a Deo autem electum, et honorificatum:
4Nadert tot Hem, de levende steen, —door de mensen verworpen, maar uitverkoren en kostbaar bij God,
5et ipsi tamquam lapides vivi superædificamini, domus spiritualis, sacerdotium sanctum, offerre spirituales hostias, acceptabiles Deo per Jesum Christum.
5en laat u als levende stenen opbouwen tot een geestelijke tempel, bestemd voor een heilig priesterschap, dat geestelijke offers brengt, welgevallig aan God door Jesus Christus.
6Propter quod continet Scriptura: Ecce pono in Sion lapidem summum angularem, electum, pretiosum: et qui crediderit in eum, non confundetur.
6Daarom staat er in de Schrift: “Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren steen, een kostbare hoeksteen; En wie in Hem gelooft, wordt niet beschaamd.”
7Vobis igitur honor credentibus: non credentibus autem lapis, quem reprobaverunt ædificantes: hic factus est in caput anguli,
7Voor u dus de eer, omdat gij gelooft. Maar voor wie niet geloven, blijft het gelden: “De steen, die de bouwlieden hadden verworpen, Is hoeksteen geworden;
8et lapis offensionis, et petra scandali, his qui offendunt verbo, nec credunt in quo et positi sunt.
8Maar ook een steen des aanstoots, En een rotsblok, waarover men struikelt.” Omdat ze het woord niet geloven, stoten ze zich; en hiertoe zijn ze voorbestemd.
9Vos autem genus electum, regale sacerdotium, gens sancta, populus acquisitionis: ut virtutes annuntietis ejus qui de tenebris vos vocavit in admirabile lumen suum.
9Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een aangeworven volk: om te verkondigen de deugden van Hem, die u riep uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht.
10Qui aliquando non populus, nunc autem populus Dei: qui non consecuti misericordiam, nunc autem misericordiam consecuti.
10Gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; vroeger van genade verstoken, nu begenadigd.
11Carissimi, obsecro vos tamquam advenas et peregrinos abstinere vos a carnalibus desideriis, quæ militant adversus animam,
11Geliefden, ik vermaan u, als pelgrims en vreemdelingen, u verre te houden van de vleselijke lusten, die strijd voeren tegen de ziel.
12conversationem vestram inter gentes habentes bonam: ut in eo quod detrectant de vobis tamquam de malefactoribus, ex bonis operibus vos considerantes, glorificent Deum in die visitationis.
12Leidt onder de heidenen een voorbeeldig leven, opdat zij uw wandel, waarover ze thans u als boosdoeners lasteren, uit uw goede werken zullen leren kennen op de dag der bezoeking, en dan glorie zullen brengen aan God.
13Subjecti igitur estote omni humanæ creaturæ propter Deum: sive regi quasi præcellenti:
13Weest onderdanig aan ieder menselijk gezag om ‘s Heren wil: aan den koning als opperheer;
14sive ducibus tamquam ab eo missis ad vindictam malefactorum, laudem vero bonorum:
14aan de landvoogden als zijn gezanten, om de boosdoeners te straffen en de goeden te prijzen.
15quia sic est voluntas Dei, ut benefacientes obmutescere faciatis imprudentium hominum ignorantiam:
15Want het is de wil van God, dat gij, door het goede te doen, het onverstand van domme mensen tot zwijgen brengt.
16quasi liberi, et non quasi velamen habentes malitiæ libertatem, sed sicut servi Dei.
16Doet het als vrije mannen; niet als mensen, die de vrijheid als een dekmantel der boosheid gebruiken, maar als dienstknechten Gods.
17Omnes honorate: fraternitatem diligite: Deum timete: regem honorificate.
17Houdt alle mensen in ere, hebt de gemeenschap lief; vreest God, eert den koning!
18Servi, subditi estote in omni timore dominis, non tantum bonis et modestis, sed etiam dyscolis.
18Gij slaven, weest onderdanig aan uw meesters met alle ontzag; niet alleen aan de goede en vriendelijke, maar ook aan de lastige.
19Hæc est enim gratia, si propter Dei conscientiam sustinet quis tristitias, patiens injuste.
19Want dit is een welgevallige daad, wanneer men uit gewetensplicht tegenover God het leed verdraagt, dat men onverdiend moet lijden.
20Quæ enim est gloria, si peccantes, et colaphizati suffertis? sed si bene facientes patienter sustinetis, hæc est gratia apud Deum.
20Wat eer toch steekt er in, gelaten te zijn, als gij geslagen wordt, omdat gij misdaan hebt? Neen, dit is welgevallig aan God: gelaten te zijn, als gij lijdt, ofschoon gij goed hebt gehandeld.
21In hoc enim vocati estis: quia et Christus passus est pro nobis, vobis relinquens exemplum ut sequamini vestigia ejus:
21Hiertoe immers zijt gij geroepen; want ook Christus heeft geleden voor u, en u een voorbeeld nagelaten, opdat gij zijn voetstappen zoudt volgen.
22qui peccatum non fecit, nec inventus est dolus in ore ejus:
22Hij heeft geen zonde bedreven, en er was geen bedrog in zijn mond;
23qui cum malediceretur, non maledicebat: cum pateretur, non comminabatur: tradebat autem judicanti se injuste:
23toch hoonde Hij niet, als Hij gehoond werd, en dreigde Hij niet, als Hij leed; maar Hij liet het over aan Hem, die met rechtvaardigheid oordeelt.
24qui peccata nostra ipse pertulit in corpore suo super lignum; ut peccatis mortui, justitiæ vivamus: cujus livore sanati estis.
24Hij zelf heeft aan het kruishout in zijn Lichaam onze zonden gedragen, opdat wij, van de zonden ontlast, voor de gerechtigheid zouden leven. Door zijn striemen zijt gij genezen;
25Eratis enim sicut oves errantes, sed conversi estis nunc ad pastorem, et episcopum animarum vestrarum.
25want als schapen hebt gij rondgedwaald, maar thans zijt gij teruggekeerd tot den Herder, tot Hem, die uw zielen behoedt.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.