Men Epijuj 5
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1KOMAIL kaalemoni Kot dueta jeri kompok kan.
1Weest dus navolgers van God, als zijn geliefde kinderen;
2O kekeid ni limpok dueta Krijtuj, me kotin, pok on kitail, ap kotin jokonpaude kin kitail, pwen wiala kijakij o mairon eu, me kin pomau on Kot.
2en leeft in liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft gegeven als gave en offer, tot een lieflijke geur voor God.
3A nenek, o jon en jaut karoj, o norok kapwa ender man pwaida re omail, duen me kon on jaraui kan.
3Van ontucht, alle soort van onreinheid en hebzucht mag onder u zelfs geen sprake meer zijn, zoals dit heiligen betaamt;
4Pil der lokaia jued, o kaman, o lokaia mal, me jota kon on, a iet: Komail en danke.
4evenmin van vuile taal, zotteklap of spotternij. Deze dingen betamen niet; een dankgebed betaamt veel meer.
5Mepukat komail en aja o dedeki, me jota me nenek, de jamin, de me norok kapwa, me poni ani tikitik, pan kak jojoki wein Krijtuj o Kot.
5Weet wel: geen ontuchtige, onreine of hebzuchtige bezit een erfdeel in het koninkrijk van Christus en van God; zo iemand staat met een afgodendienaar gelijk.
6Jota amen en kotau ki komail lokaia mal, pwe mepukat kin kareda onion en Kot on jeri jopeik kan.
6Laat niemand u met holle woorden bedriegen; want daarom juist komt Gods toorn over de kinderen der ongehoorzaamheid.
7Komail ender kij arail.
7Wordt dus hun medeplichtigen niet!
8Pwe maj o komail me rotorot, a met komail marainlar ren Kaun o; weweid wei duen jeri en marain akan.
8Vroeger waart gij duisternis, thans zijt gij licht in den Heer; gedraagt u dan ook als kinderen van het licht.
9Pwe wan marain mepukat: Kamau, o pun o melel.
9Want de vrucht van het licht bestaat in allerlei goedheid, gerechtigheid en waarheid.
10O kajauiada, me kin kaperenda kupur en Kaun o.
10Onderzoekt wat welbehaaglijk is aan den Heer,
11O der waroki on wiawia jued en me rotorot akan, a mak eta, en kapun on irail.
11en neemt geen deel aan de onvruchtbare werken der duisternis; maar keurt ze af.
12Pwe me re kin wiada waja rir, me jued o jota mau on, en inda.
12Want wat door hen in het geheim wordt gedaan, is te schandelijk zelfs om het te noemen.
13A karoj me pan kajanjaleda, pan kadiarok kida marain, pwe marain kin kajanjaleda meakaroj.
13Alles echter wat afkeurenswaardig is, wordt openbaar gemaakt door het licht; want het licht maakt alles openbaar.
14I me a kotin majani: Pirida koe me mamair, o paurida jan ren me melar akan, a Krijtuj pan kamarain uk ada.
14Daarom wordt er gezegd: “Ontwaak, gij slaper; Sta op uit de doden, En Christus zal over u lichten!”
15Kalaka, pwe komail en keid ineneweita, kaidin duen me lolepon a duen me lolekon kan.
15Ziet dus nauwlettend toe, hoe ge u gedraagt: niet als dwazen, maar als wijzen;
16Audaud anjau mau, pweki ran akan me jued.
16benut de gunstige gelegenheid, want de tijden zijn boos.
17Komail ari ender lamponla, a en lolekon, pwe i duen kupur en Kaun.
17Weest daarom niet onverstandig, maar tracht de wil des Heren te verstaan.
18Ender kamom wain, pwe a kin kareda tiak jued, a komail en direki Nen.
18Bedrinkt u niet aan de wijn, want dit voert tot losbandigheid; maar wordt vol van den Geest.
19O jauaj pena ki pjalm, o kaul en kapin, o kaul nenin; komail kaul o kajan on Kaun o nan monion omail.
19Spreekt tot elkander in psalmen, lofzangen en geestelijke liederen; zingt en juicht in uw hart voor den Heer;
20Danke kaukaule Kot o Jam ni mar en atail Kaun Iejuj Krijtuj.
20betuigt zonder ophouden voor alles uw dank aan God en den Vader, in de naam van Jesus Christus onzen Heer.
21O papa komail pena amen amen ni majak dol en Krijtuj.
21Weest elkander onderdanig in de vreze van Christus.
22Komail li akan, udi on pein omail warok kan dueta on Kaun.
22Gij vrouwen, weest onderdanig aan uw mannen, als aan den Heer.
23Pwe ol o me tapwin a paud, dueta Krijtuj me tapwin momodijou, o i me Jaunkamaur pan war a.
23Want de man is het hoofd van de vrouw, zoals Christus het Hoofd is der Kerk, Hij die de Verlosser is van het Lichaam.
24A duen momodijou kin udi on Krijtuj, iduen li akan en udi on ar warok kan ni meakaroj.
24Welnu, zoals de Kerk onderdanig is aan Christus, zo moeten in alles de vrouwen het zijn aan haar mannen.
25Komail ol akan pok on pein omail warok kan, dueta Krijtuj kotin pok on momodijou o kotiki don i pein i.
25Gij mannen, hebt uw vrouwen lief, zoals ook Christus de Kerk heeft bemind. Hij heeft Zich voor haar overgeleverd:
26Pwen kajarauiala i, o kamakelekeleda i ki pil o, iei a majan.
26om haar te heiligen en te reinigen door het Waterbad, vergezeld van het woord;
27Pwen kajanjale don pein i momodijou linan, me jota topala o omrok ape, a me jaraui o jo kaopa kot.
27om Zich een heerlijke Kerk te bereiden, zonder vlek of rimpel of iets van die aard, maar heilig en zonder enige smet.
28Nan iduen ol akan en pok on ar warok kan dueta pein war arail akan. Me kin pok on a warok, kin pok on pein i.
28Zo moeten ook de mannen hun vrouwen liefhebben als hun eigen lichaam; wie zijn vrouw bemint, heeft zichzelf lief.
29Jota amen kin juedeki pein uduk a; pwe a kin kamana o kanainai eta, dueta Krijtuj kin kotin apwali momodijou.
29Welnu, niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat; maar hij voedt en verzorgt het, zoals ook Christus het doet met de Kerk,
30Pwe kitail me kajan en war a, o uduk a, o a kokon akan.
30omdat we de ledematen zijn van zijn Lichaam.
31I me aramaj o pan muei jan jam a o in a, ap muei on a paud, ira ari pan uduk ta ieu la.
31“Daarom zal de man vader en moeder verlaten, en zich hechten aan zijn vrouw; en die twee zullen één vlees worden”,
32Meid kaponepon lapalap eu; a nai kaparokki duen Krijtuj a warokeki on momodijou.
32Dit geheim is groot; ik bedoel: zijn verhouding tot Christus en de Kerk.
33Pil dueta komail, amen amen komail en pok on a warok dueta pein i, a li o en kakaki a warok.
33Maar hoe het ook zij: ieder van u moet zijn vrouw liefhebben als zichzelf, en de vrouw moet eerbied hebben voor den man.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.