Numeri 33
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Dit zijn de halten van de Israëlieten, nadat zij onder leiding van Moses en Aäron met hun legerscharen uit Egypte waren opgetrokken.
1These are the stages of the children of Israel, by which they went forth out of the land of Egypt by their hosts under the hand of Moses and Aaron.
2Op bevel van Jahweh schreef Moses hun zwerftochten op volgens de halten, die zij hadden gemaakt. En dit waren hun verschillende halten, die zij op hun zwerftochten hadden gemaakt.
2And Moses wrote their goings forth, stage by stage, by the commandment of the LORD; and these are their stages at their goings forth.
3Op de vijftiende dag van de eerste maand, braken zij op van Raämses, daags na Pasen trokken de Israëlieten onder machtige schutse ten aanschouwen van heel Egypte weg,
3And they journeyed from Rameses in the first month, on the fifteenth day of the first month; on the morrow after the passover the children of Israel went out with a high hand in the sight of all the Egyptians,
4terwijl de Egyptenaren al de eerstgeborenen begroeven, die Jahweh onder hen had getroffen, en Jahweh aan hun goden de strafgerichten voltrok.
4while the Egyptians were burying them that the LORD had smitten among them, even all their first-born; upon their gods also the LORD executed judgments.
5Nadat de Israëlieten van Raämses waren opgetrokken, legerden zij zich te Soekkot.
5And the children of Israel journeyed from Rameses, and pitched in Succoth.
6Van Soekkot trokken zij verder en legerden zich te Etam, dat op de grens van de woestijn ligt.
6And they journeyed from Succoth, and pitched in Etham, which is in the edge of the wilderness.
7Van Etam trokken zij verder, maar sloegen de richting in naar Pi-Hachirot, dat ten oosten van Báal-Sefon ligt, en legerden zich voor Migdol.
7And they journeyed from Etham, and turned back unto Pihahiroth, which is before Baal-zephon; and they pitched before Migdol.
8Van Pi-Hachirot trokken zij verder, gingen midden door de zee naar de woestijn, trokken drie dagreizen ver de woestijn Etam in, en legerden zich te Mara.
8And they journeyed from Penehahiroth, and passed through the midst of the sea into the wilderness; and they went three days' journey in the wilderness of Etham, and pitched in Marah.
9Van Mara trokken zij verder, en kwamen te Elim; te Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar.
9And they journeyed from Marah, and came unto Elim; and in Elim were twelve springs of water, and threescore and ten palm-trees; and they pitched there.
10Van Elim trokken zij verder, en legerden zich aan de Rode Zee.
10And they journeyed from Elim, and pitched by the Red Sea.
11Van de Rode Zee trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin.
11And they journeyed from the Red Sea, and pitched in the wilderness of Sin.
12Van de woestijn Sin trokken zij verder, en legerden zich te Dofka.
12And they journeyed from the wilderness of Sin, and pitched in Dophkah.
13Van Dofka trokken zij verder, en legerden zich te Aloesj.
13And they journeyed from Dophkah, and pitched in Alush.
14Van Aloesj trokken zij verder, en legerden zich te Refidim; daar was geen water voor het volk, om te drinken.
14And they journeyed from Alush, and pitched in Rephidim, where was no water for the people to drink.
15Van Refidim trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn van de Sinaï.
15And they journeyed from Rephidim, and pitched in the wilderness of Sinai.
16Van de woestijn Sinaï trokken zij verder, en legerden zich te Kibrot-Hattaäwa.
16And they journeyed from the wilderness of Sinai, and pitched in Kibroth-hattaavah.
17Van Kibrot-Hattaäwa trokken zij verder, en legerden zich te Chaserot.
17And they journeyed from Kibroth-hattaavah, and pitched in Hazeroth.
18Van Chaserot trokken zij verder, en legerden zich te Ritma.
18And they journeyed from Hazeroth, and pitched in Rithmah.
19Van Ritma trokken zij verder, en legerden zich te Rimmon-Péres.
19And they journeyed from Rithmah, and pitched in Rimmon-perez.
20Van Rimmon-Péres trokken zij verder, en legerden zich te Libna.
20And they journeyed from Rimmon-perez, and pitched in Libnah.
21Van Libna trokken zij verder, en legerden zich te Rissa.
21And they journeyed from Libnah, and pitched in Rissah.
22Van Rissa trokken zij verder, en legerden zich te Keheláta.
22And they journeyed from Rissah, and pitched in Kehelah.
23Van Keheláta trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Sjéfer.
23And they journeyed from Kehelah, and pitched in mount Shepher.
24Van de berg Sjéfer trokken zij verder, en legerden zich te Charada.
24And they journeyed from mount Shepher, and pitched in Haradah.
25Van Charada trokken zij verder, en legerden zich te Makhelot.
25And they journeyed from Haradah, and pitched in Makheloth.
26Van Makhelot trokken zij verder, en legerden zich te Táchat.
26And they journeyed from Makheloth, and pitched in Tahath.
27Van Táchat trokken zij verder, en legerden zich te Térach.
27And they journeyed from Tahath, and pitched in Terah.
28Van Térach trokken zij verder, en legerden zich te Mitka.
28And they journeyed from Terah, and pitched in Mithkah.
29Van Mitka trokken zij verder, en legerden zich te Chasjmona.
29And they journeyed from Mithkah, and pitched in Hashmonah.
30Van Chasjmona trokken zij verder, en legerden zich te Moserot.
30And they journeyed from Hashmonah, and pitched in Moseroth.
31Van Moserot trokken zij verder, en legerden zich te Bene-Jaäkan.
31And they journeyed from Moseroth, and pitched in Bene-jaakan.
32Van Bene-Jaäkan trokken zij verder, en legerden zich te Chor-Haggidgad.
32And they journeyed from Bene-jaakan, and pitched in Hor-haggidgad.
33Van Chor-Haggidgad trokken zij verder, en legerden zich te Jotbáta.
33And they journeyed from Hor-haggidgad, and pitched in Jotbah.
34Van Jotbáta trokken zij verder, en legerden zich te Abrona.
34And they journeyed from Jotbah, and pitched in Abronah.
35Van Abrona trokken zij verder, en legerden zich te Es-jon-Géber.
35And they journeyed from Abronah, and pitched in Ezion-geber.
36Van Es-jon-Géber trokken zij verder, en legerden zich in de woestijn Sin, dat is Kadesj.
36And they journeyed from Ezion-geber, and pitched in the wilderness of Zin — the same is Kadesh.
37Van Kadesj trokken zij verder, en legerden zich bij de berg Hor aan de grens van het land Edom.
37And they journeyed from Kadesh, and pitched in mount Hor, in the edge of the land of Edom. —
38De priester Aäron besteeg op bevel van Jahweh de berg Hor, en stierf daar in het veertigste jaar na de uittocht van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste van de vijfde maand.
38And Aaron the priest went up into mount Hor at the commandment of the LORD, and died there, in the fortieth year after the children of Israel were come out of the land of Egypt, in the fifth month, on the first day of the month.
39Aäron was honderd drie en twintig jaar oud, toen hij op de berg Hor stierf.
39And Aaron was a hundred and twenty and three years old when he died in mount Hor.
40Daar de kanaänietische koning van Arad, die in de Négeb van het land Kanaän woonde, vernomen had, dat de Israëlieten in aantocht waren,
40And the Canaanite, the king of Arad, who dwelt in the South in the land of Canaan, heard of the coming of the children of Israel. —
41trokken zij van de berg Hor verder, en legerden zich te Salmona.
41And they journeyed from mount Hor, and pitched in Zalmonah.
42Van Salmona trokken zij verder, en legerden zich te Poenon.
42And they journeyed from Zalmonah, and pitched in Punon.
43Van Poenon trokken zij verder, en legerden zich te Obot.
43And they journeyed from Punon, and pitched in Oboth.
44Van Obot trokken zij verder, en legerden zich te Ijje-Haäbarim, in het gebied van Moab.
44And they journeyed from Oboth, and pitched in Ije-abarim, in the border of Moab.
45Van Ijje-Haäbarim trokken zij verder, en legerden zich te Dibon-Gad.
45And they journeyed from Ijim, and pitched in Dibon-gad.
46Van Dibon-Gad trokken zij verder, en legerden zich te Almon-Diblatáim.
46And they journeyed from Dibon-gad, and pitched in Almon-diblathaim.
47Van Almon-Diblatáim trokken zij verder, en legerden zich bij het gebergte Abarim tegenover Nebo.
47And they journeyed from Almon-diblathaim, and pitched in the mountains of Abarim, in front of Nebo.
48Van het gebergte Abarim trokken zij verder, en legerden zich in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
48And they journeyed from the mountains of Abarim, and pitched in the plains of Moab by the Jordan at Jericho.
49Hun legerplaatsen bij de Jordaan strekten zich uit van Bet-Hajjesjimot af tot aan Abel-Hassjittim in de velden van Moab.
49And they pitched by the Jordan, from Beth-jeshimoth even unto Abel-shittim in the plains of Moab.
50In de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho sprak Jahweh tot Moses:
50And the LORD spoke unto Moses in the plains of Moab by the Jordan at Jericho, saying:
51Beveel de Israëlieten, en zeg hun: Wanneer gij de Jordaan zijt overgetrokken naar het land Kanaän,
51'Speak unto the children of Israel, and say unto them: When ye pass over the Jordan into the land of Canaan,
52dan moet gij al de bewoners van het land verjagen, en al hun gehouwen beelden stukslaan, al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten verwoesten.
52then ye shall drive out all the inhabitants of the land from before you, and destroy all their figured stones, and destroy all their molten images, and demolish all their high places.
53Dan zult gij het land in bezit nemen en er u vestigen; want aan u heb Ik het land in eigendom gegeven.
53And ye shall drive out the inhabitants of the land, and dwell therein; for unto you have I given the land to possess it.
54Gij moet het land door loting onder uw geslachten verdelen; aan een talrijk geslacht moet gij een groot stuk geven, aan een minder talrijk een klein. Ge moet het dus onder de voorvaderlijke stammen zo verdelen, dat iedereen krijgt, wat hem door het lot wordt toegewezen.
54And ye shall inherit the land by lot according to your families — to the more ye shall give the more inheritance, and to the fewer thou shalt give the less inheritance; wheresoever the lot falleth to any man, that shall be his; according to the tribes of your fathers shall ye inherit.
55Maar wanneer gij de bewoners van het land niet verjaagt, dan zullen zij, die gij ervan overlaat, als doornen in uw ogen zijn en als prikkels in uw zijden; zij zullen u in uw eigen land verdrukken.
55But if ye will not drive out the inhabitants of the land from before you, then shall those that ye let remain of them be as thorns in your eyes, and as pricks in your sides, and they shall harass you in the land wherein ye dwell.
56En zoals Ik besloten had, hen te behandelen, zo zal Ik het u doen.
56And it shall come to pass, that as I thought to do unto them, so will I do unto you.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.