Numeri 31
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Jahweh sprak tot Moses:
1And the LORD spoke unto Moses, saying:
2Nog moet ge voor de kinderen Israëls wraak nemen op de Midjanieten; daarna zult ge bij uw volk worden verzameld.
2'Avenge the children of Israel of the Midianites; afterward shalt thou be gathered unto thy people.'
3Moses zei dus tot het volk: Laat een deel van uw mannen zich wapenen, om tegen Midjan op te rukken, en de wraak van Jahweh aan Midjan te voltrekken.
3And Moses spoke unto the people, saying: 'Arm ye men from among you for the war, that they may go against Midian, to execute the LORD'S vengeance on Midian.
4Van iedere stam van Israël, moet ge duizend man in het veld brengen.
4Of every tribe a thousand, throughout all the tribes of Israel, shall ye send to the war.'
5Zo werden uit iedere stam van Israël duizend krijgers aangemonsterd, dus twaalf duizend in het geheel.
5So there were delivered, out of the thousands of Israel, a thousand of every tribe, twelve thousand armed for war.
6En Moses zond die duizend uit iedere stam ten strijde met Pinechas, den zoon van den priester Elazar, wien hij de heilige vaten en de krijgstrompetten meegaf.
6And Moses sent them, a thousand of every tribe, to the war, them and Phinehas the son of Eleazar the priest, to the war, with the holy vessels and the trumpets for the alarm in his hand.
7Zij bonden dus de strijd aan tegen de Midjanieten, zoals Jahweh het Moses bevolen had, en doodden alle mannen.
7And they warred against Midian, as the LORD commanded Moses; and they slew every male.
8Behalve de anderen, die zij neersabelden, doodden zij ook de koningen van Midjan, Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, vijf midjanietische koningen; ook Balaäm, den zoon van Beor, doodden zij met het zwaard.
8And they slew the kings of Midian with the rest of their slain: Evi, and Rekem, and Zur, and Hur, and Reba, the five kings of Midian; Balaam also the son of Beor they slew with the sword.
9De Israëlieten maakten de vrouwen en kinderen der Midjanieten krijgsgevangen; al hun vee met al hun have en goed maakten zij buit;
9And the children of Israel took captive the women of Midian and their little ones; and all their cattle, and all their flocks, and all their goods, they took for a prey.
10al de steden, die zij bewoonden, met al hun kampementen staken ze in brand.
10And all their cities in the places wherein they dwelt, and all their encampments, they burnt with fire.
11Al die roof en buit aan mensen en vee namen zij mee,
11And they took all the spoil, and all the prey, both of man and of beast.
12en brachten de gevangenen met roof en buit naar Moses, en den priester Elazar, en naar de gemeenschap der Israëlieten in de legerplaats in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho.
12And they brought the captives, and the prey, and the spoil, unto Moses, and unto Eleazar the priest, and unto the congregation of the children of Israel, unto the camp, unto the plains of Moab, which are by the Jordan at Jericho.
13Moses, de priester Elazar en al de leiders van de gemeenschap trokken hen buiten de legerplaats tegemoet.
13And Moses, and Eleazar the priest, and all the princes of the congregation, went forth to meet them without the camp.
14Maar Moses werd vertoornd op de aanvoerders van het leger, de hoofdmannen over duizend en honderd, die van de strijd terugkeerden,
14And Moses was wroth with the officers of the host, the captains of thousands and the captains of hundreds, who came from the service of the war.
15en zei tot hen: Hoe hebt ge al die vrouwen in leven kunnen laten?
15And Moses said unto them: 'Have ye saved all the women alive?
16Zij zijn toch juist op raad van Balaäm de oorzaak geweest, dat Israël om Peor van Jahweh afviel, zodat er onder de gemeenschap van Jahweh een ramp ontstond.
16Behold, these caused the children of Israel, through the counsel of Balaam, to revolt so as to break faith with the LORD in the matter of Peor, and so the plague was among the congregation of the LORD.
17Ge moet dus alle jongens doden, en alle vrouwen, die gemeenschap met een man hebben gehad.
17Now therefore kill every male among the little ones, and kill every woman that hath known man by lying with him.
18Maar alle meisjes, die nog geen gemeenschap met een man hebben gehad, moogt ge in leven laten en voor u behouden.
18But all the women children, that have not known man by lying with him, keep alive for yourselves.
19Bovendien moet ge zeven dagen lang buiten de legerplaats blijven, en iedereen die een ander heeft gedood of een gesneuvelde heeft aangeraakt, moet zich op de derde en zevende dag reinigen, gij zowel als uw krijgsgevangenen.
19And encamp ye without the camp seven days; whosoever hath killed any person, and whosoever hath touched any slain, purify yourselves on the third day and on the seventh day, ye and your captives.
20Ook alle kleren, alle leren voorwerpen, al wat uit geitenhaar is vervaardigd, en al wat van hout is, moet gij reinigen.
20And as to every garment, and all that is made of skin, and all work of goats' hair, and all things made of wood, ye shall purify.'
21En de priester Elazar zeide tot de krijgslieden, die ten strijde waren getrokken: Dit is het voorschrift van de wet, die Jahweh Moses heeft gegeven!
21And Eleazar the priest said unto the men of war that went to the battle: 'This is the statute of the law which the LORD hath commanded Moses:
22Goud, zilver, brons, ijzer, tin en lood,
22Howbeit the gold, and the silver, the brass, the iron, the tin, and the lead,
23al wat tegen vuur bestand is, moet ge door het vuur halen; dan zal het rein zijn, en behoeft alleen nog met reinigingswater te worden ontsmet. Maar al wat niet tegen vuur is bestand, moet ge door het water halen.
23every thing that may abide the fire, ye shall make to go through the fire, and it shall be clean; nevertheless it shall be purified with the water of sprinkling; and all that abideth not the fire ye shall make to go through the water.
24Op de zevende dag moet gij uw kleren wassen; dan zijt gij weer rein, en kunt in de legerplaats terugkeren.
24And ye shall wash your clothes on the seventh day, and ye shall be clean, and afterward ye may come into the camp.'
25Daarna sprak Jahweh tot Moses:
25And the LORD spoke unto Moses, saying:
26Tel met den priester Elazar en de familiehoofden van de gemeenschap mensen en dieren, die aan buit zijn meegebracht,
26'Take the sum of the prey that was taken, both of man and of beast, thou, and Eleazar the priest, and the heads of the fathers' houses of the congregation;
27en verdeel de buit tussen de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, en heel de gemeenschap.
27and divide the prey into two parts: between the men skilled in war, that went out to battle, and all the congregation;
28Van de krijgers, die ten strijde zijn getrokken, moet ge als gave voor Jahweh één op de vijfhonderd heffen van mensen, runderen, ezels en kleinvee;
28and levy a tribute unto the LORD of the men of war that went out to battle: one soul of five hundred, both of the persons, and of the beeves, and of the asses, and of the flocks;
29ge moet het van hun helft nemen en het den priester Elazar geven als een cijns voor Jahweh.
29take it of their half, and give it unto Eleazar the priest, as a portion set apart for the LORD.
30Maar van de helft voor de Israëlieten bestemd moet ge één op de vijftig nemen, van wat voor de hand komt, van mensen, runderen, ezels en kleinvee, en alle andere beesten, en het aan de levieten geven, die dienst doen bij de tabernakel van Jahweh.
30And of the children of Israel's half, thou shalt take one drawn out of every fifty, of the persons, of the beeves, of the asses, and of the flocks, even of all the cattle, and give them unto the Levites, that keep the charge of the tabernacle of the LORD.'
31Moses en de priester Elazar deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
31And Moses and Eleazar the priest did as the LORD commanded Moses.
32Het overschot van de buit, die het krijgsvolk gemaakt en meegebracht had, bedroeg zes honderd vijf en zeventig duizend schapen,
32Now the prey, over and above the booty which the men of war took, was six hundred thousand and seventy thousand and five thousand sheep,
33twee en zeventig duizend runderen,
33and threescore and twelve thousand beeves,
34een en zestig duizend ezels,
34and threescore and one thousand asses,
35en aan mensen, twee en dertig duizend vrouwen, die geen gemeenschap met een man hadden gehad.
35and thirty and two thousand persons in all, of the women that had not known man by lying with him.
36De helft, die toekwam aan hen, die ten strijde waren getrokken, bedroeg: aan schapen drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
36And the half, which was the portion of them that went out to war, was in number three hundred thousand and thirty thousand and seven thousand and five hundred sheep.
37en de gave voor Jahweh daarvan zeshonderd vijf en zeventig;
37And the LORD'S tribute of the sheep was six hundred and threescore and fifteen.
38aan runderen, zes en dertig duizend, en de gave voor Jahweh daarvan twee en zeventig;
38And the beeves were thirty and six thousand, of which the LORD'S tribute was threescore and twelve.
39aan ezels, dertig duizend vijfhonderd, en de gave voor Jahweh daarvan een en zestig;
39And the asses were thirty thousand and five hundred, of which the LORD'S tribute was threescore and one.
40aan mensen zestien duizend, en de gave voor Jahweh twee en dertig.
40And the persons were sixteen thousand, of whom the LORD'S tribute was thirty and two persons.
41Moses stelde die gave als cijns voor Jahweh, aan den priester Elazar ter hand, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
41And Moses gave the tribute, which was set apart for the LORD, unto Eleazar the priest, as the LORD commanded Moses.
42De helft, die voor de Israëlieten was bestemd, en die Moses van het krijgsvolk, dat was uitgetrokken, had geheven,
42And of the children of Israel's half, which Moses divided off from the men that warred —
43deze helft voor de gemeenschap bedroeg: aan schapen, drie honderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,
43now the congregation's half was three hundred thousand and thirty thousand and seven thousand and five hundred sheep,
44aan runderen, zes en dertig duizend;
44and thirty and six thousand beeves,
45aan ezels dertig duizend vijfhonderd;
45and thirty thousand and five hundred asses,
46en aan mensen, zestien duizend.
46and sixteen thousand persons —
47Van deze helft, voor de Israëlieten bestemd, nam Moses één op de vijftig van mensen en vee, zoals het voor de hand kwam, en gaf het aan de levieten, die dienst deden bij de tabernakel, zoals Jahweh het Moses bevolen had.
47even of the children of Israel's half, Moses took one drawn out of every fifty, both of man and of beast, and gave them unto the Levites, that kept the charge of the tabernacle of the LORD; as the LORD commanded Moses.
48Toen traden de aanvoerders van de troepen, de hoofdmannen over duizend en honderd, op Moses toe,
48And the officers that were over the thousands of the host, the captains of thousands, and the captains of hundreds, came near unto Moses;
49en zeiden tot hem: Uw dienaren hebben de strijders, die onder ons stonden, geteld en er ontbreekt er niet één.
49and they said unto Moses: 'Thy servants have taken the sum of the men of war that are under our charge, and there lacketh not one man of us.
50Daarom brengt ieder van ons de gouden sieraden, die hij heeft buitgemaakt, gespen, armbanden, zegelringen, oorringen en kralen, als gave aan Jahweh, om voor ons verzoening te verkrijgen voor het aanschijn van Jahweh.
50And we have brought the LORD'S offering, what every man hath gotten, of jewels of gold, armlets, and bracelets, signet-rings, ear-rings, and girdles, to make atonement for our souls before the LORD.'
51Moses en de priester Elazar namen al die gouden sieraden van hen aan.
51And Moses and Eleazar the priest took the gold of them, even all wrought jewels.
52Al het goud, dat zij als cijns aan Jahweh brachten, bedroeg zestien duizend zeven honderd vijftig sikkels. Dit was van de hoofdmannen over duizend en honderd;
52And all the gold of the gift that they set apart for the LORD, of the captains of thousands, and of the captains of hundreds, was sixteen thousand seven hundred and fifty shekels. —
53ook de krijgslieden hadden ieder voor zich nog buit behaald.
53For the men of war had taken booty, every man for himself. —
54Moses en de priester Elazar namen het goud van de hoofdmannen over duizend en honderd in ontvangst en brachten het naar de openbaringstent, om de Israëlieten bij Jahweh in gedachtenis te houden.
54And Moses and Eleazar the priest took the gold of the captains of thousands and of hundreds, and brought it into the tent of meeting, for a memorial for the children of Israel before the LORD.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.