Numeri 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
1Eens traden de familiehoofden van het geslacht der zonen van Gilad, den zoon van Makir, den zoon van Manasse, uit de geslachten van de zonen van Josef, voor Moses en de aanvoerders, de stamhoofden der Israëlieten,
1And the heads of the fathers' houses of the family of the children of Gilead, the son of Machir, the son of Manasseh, of the families of the sons of Joseph, came near, and spoke before Moses, and before the princes, the heads of the fathers' houses of the children of Israel;
2en zeiden: Jahweh heeft mijn heer bevolen, het land volgens het lot onder de Israëlieten tot erfdeel te geven, en mijn heer heeft uit naam van Jahweh gelast, het erfdeel van Selofchad, onzen broeder, aan zijn dochters te schenken.
2and they said: 'The LORD commanded my lord to give the land for inheritance by lot to the children of Israel; and my lord was commanded by the LORD to give the inheritance of Zelophehad our brother unto his daughters.
3Maar wanneer zij nu eens met iemand van de andere stammen der Israëlieten huwen, dan zou haar erfdeel aan dat onzer vaderen worden onttrokken, bij het erfdeel van de stam worden gevoegd, waartoe zij zullen behoren, en dus ons erfbezit, door het lot ons toegewezen, worden ontvreemd.
3And if they be married to any of the sons of the other tribes of the children of Israel, then will their inheritance be taken away from the inheritance of our fathers, and will be added to the inheritance of the tribe whereunto they shall belong; so will it be taken away from the lot of our inheritance.
4En breekt voor de Israëlieten het jubeljaar aan, dan zal haar erfdeel voorgoed bij de bezitting van de stam worden gevoegd, waartoe zij behoren, en zal haar erfdeel van dat onzer vaderen worden ontvreemd.
4And when the jubilee of the children of Israel shall be, then will their inheritance be added unto the inheritance of the tribe whereunto they shall belong; so will their inheritance be taken away from the inheritance of the tribe of our fathers.'
5Toen gaf Moses in opdracht van Jahweh aan de Israëlieten het volgende bevel: De stam van de zonen van Josef heeft gelijk.
5And Moses commanded the children of Israel according to the word of the LORD, saying: 'The tribe of the sons of Joseph speaketh right.
6Daarom beveelt Jahweh met betrekking tot de dochters van Selofchad als volgt: Zij kunnen trouwen met wie ze willen, mits in een familie van de stam van haar vader.
6This is the thing which the LORD hath commanded concerning the daughters of Zelophehad, saying: Let them be married to whom they think best; only into the family of the tribe of their father shall they be married.
7Want een erfdeel mag bij de Israëlieten niet van de ene stam op de andere overgaan, maar iedere Israëliet moet aan het erfdeel van de stam van zijn vaderen vasthouden.
7So shall no inheritance of the children of Israel remove from tribe to tribe; for the children of Israel shall cleave every one to the inheritance of the tribe of his fathers.
8Daarom moet ieder meisje, dat onder de stammen der Israëlieten een erfdeel ontvangt, in de familie van de stam van haar vader huwen, zodat alle Israëlieten hun vaderlijk erfdeel behouden.
8And every daughter, that possesseth an inheritance in any tribe of the children of Israel, shall be wife unto one of the family of the tribe of her father, that the children of Israel may possess every man the inheritance of his fathers.
9Een erfdeel mag dus niet van de ene stam op de andere overgaan, maar alle stammen der Israëlieten moeten aan hun eigen erfdeel vasthouden.
9So shall no inheritance remove from one tribe to another tribe; for the tribes of the children of Israel shall cleave each one to its own inheritance.'
10De dochters van Selofchad deden, wat Jahweh Moses bevolen had.
10Even as the LORD commanded Moses, so did the daughters of Zelophehad.
11Machla, Tirsa, Chogla, Milka en Noa, de dochters van Selofchad, huwden met de zonen van haar ooms.
11For Mahlah, Tirzah, and Hoglah, and Milcah, and Noah, the daughters of Zelophehad, were married unto their father's brothers' sons.
12Zij huwden dus in de families van de zonen van Manasse, den zoon van Josef, zodat haar erfdeel aan de stam bleef, waartoe de familie van haar vader behoorde.
12They were married into the families of the sons of Manasseh the son of Joseph, and their inheritance remained in the tribe of the family of their father.
13Dit zijn de bevelen en voorschriften, die Jahweh door Moses aan de Israëlieten in de velden van Moab aan de Jordaan bij Jericho gaf.
13These are the commandments and the ordinances, which the LORD commanded by the hand of Moses unto the children of Israel in the plains of Moab by the Jordan at Jericho.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.