Matteus 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Toen Jesus deze onderrichting geëindigd had, verliet Hij Galilea, en ging naar het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan.
1Kaj kiam Jesuo finis ĉi tiujn parolojn, li foriris el Galileo, kaj venis en la limojn de Judujo trans Jordan;
2En grote scharen volgden Hem, en Hij genas ze daar.
2kaj grandaj homamasoj lin sekvis, kaj li sanigis ilin tie.
3Ook de farizeën kwamen naar Hem toe, om Hem op de proef te stellen. Ze zeiden: Is het een man geoorloofd, zijn vrouw te verstoten, om welke reden ook?
3Kaj venis al li Fariseoj, provante lin, kaj dirante: Ĉu estas permesate forsendi sian edzinon pro ĉia kaŭzo?
4Hij antwoordde hun: Hebt gij niet gelezen, dat Hij, die in het begin den mens heeft geschapen, hen man en vrouw heeft gemaakt;
4Kaj responde li diris: Ĉu vi ne legis, ke en la komenco la Kreinto faris ilin vira kaj virina,
5en dat Hij gezegd heeft: “Daarom zal de man vader en moeder verlaten, en zich hechten aan zijn vrouw; en die twee zullen één vlees zijn”? Ze zijn dus geen twee meer, maar één vlees.
5kaj diris: Tial viro forlasos sian patron kaj sian patrinon, kaj aliĝos al sia edzino; kaj ili estos unu karno?
6Wat dus God heeft verenigd, dat scheide geen mens.
6Sekve ili jam estas ne du, sed unu karno. Kion do Dio kunigis, tion homo ne disigu.
7Ze zeiden Hem: Waarom heeft Moses dan bevolen, een scheidingsbrief te geven, en eerst dan de vrouw te verstoten?
7Ili diris al li: Kial do Moseo ordonis doni eksedzigan leteron, kaj forsendi ŝin?
8Hij antwoordde hun: Om de hardheid van uw gemoed heeft Moses u toegestaan, uw vrouw te verstoten; in het begin echter was het zo niet.
8Li diris al ili: Moseo, pro la malmoleco de via koro, permesis al vi forsendi viajn edzinojn; sed ne estis tiel de la komenco.
9Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, buiten het geval van overspel, en een andere huwt, begaat overspel;
9Sed mi diras al vi: Kiu forsendos sian edzinon krom pro malĉasteco, kaj edziĝos kun alia, tiu adultas; kaj kiu edziĝas kun la forsenditino, tiu adultas.
10Zijn leerlingen zeiden tot Hem: Als zó de verhouding is van den man tot de vrouw, dan is het niet raadzaam te huwen.
10La disĉiploj diris al li: Se tia estas la rilato de viro al virino, ne estas oportune edziĝi.
11Hij sprak tot hen: Niet allen begrijpen dit woord, maar zij alleen, aan wie het gegeven is.
11Sed li diris al ili: Ne ĉiuj homoj akceptas ĉi tiun diron, sed nur tiuj, al kiuj tio estas donita.
12Er zijn onhuwbaren, die zo geboren zijn van de moederschoot af; en er zijn onhuwbaren, die door de mensen onhuwbaar gemaakt zijn; en er zijn onhuwbaren, die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt om het rijk der hemelen. Wie het vatten kan, hij vatte het.
12Ĉar estas eŭnukoj, kiuj estas naskitaj tiaj el la patrina ventro; kaj estas eŭnukoj, kiuj estis eŭnukigitaj de homoj; kaj estas eŭnukoj, kiuj eŭnukigis sin pro la regno de la ĉielo. Kiu povas tion akcepti, tiu akceptu.
13Toen werden er kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij ze de handen zou opleggen, en voor hen bidden. De leerlingen wezen ze af.
13Tiam oni venigis al li infanojn, por ke li metu la manojn sur ilin kaj preĝu; kaj la disĉiploj admonis ilin.
14Maar Jesus zei hun: Laat de kinderen begaan, en belet ze niet, tot Mij te komen; want het rijk der hemelen is voor hen, die zijn zoals zij.
14Sed Jesuo diris: Lasu la infanojn, kaj ne malhelpu ilin, veni al mi; ĉar el tiaj estas la regno de la ĉielo.
15En na hun de handen te hebben opgelegd, ging Hij heen.
15Kaj metinte la manojn sur ilin, li foriris de tie.
16En zie, daar trad iemand op Hem toe, die tot Hem sprak: Goede Meester, wat goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verkrijgen?
16Kaj jen unu viro, veninte al li, diris: Majstro, kian bonon mi faru, por ke mi ricevu eternan vivon?
17Hij zeide hem: Waarom vraagt ge Mij naar het goede; Eén is er goed. Wilt ge dus het leven binnengaan, onderhoud dan de geboden.
17Li diris al li: Kial vi min demandas pri bono? Ekzistas Unu, kiu estas bona; sed se vi deziras eniri en la vivon, observu la ordonojn.
18Hij zei Hem: Welke? En Jesus sprak: Gij zult niet doden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;
18Li diris al li: Kiujn? Kaj Jesuo diris: Ne mortigu; Ne adultu; Ne ŝtelu; Ne parolu malveran ateston;
19eer uw vader en moeder; heb uw naaste lief als uzelf.
19Respektu vian patron kaj vian patrinon; kaj: Amu vian proksimulon kiel vin mem.
20De jonge man zeide tot Hem: Dat alles heb ik onderhouden; wat ontbreekt me nog?
20La junulo diris al li: Ĉion tion mi observis; kio ankoraŭ mankas al mi?
21Jesus zeide hem: Zo ge volmaakt wilt zijn, ga dan verkopen wat ge bezit, geef het aan de armen, en ge zult een schat in de hemel bezitten. Kom dan, en volg Mij.
21Jesuo diris al li: Se vi deziras esti perfekta, iru, vendu viajn posedaĵojn, kaj donu al malriĉuloj, kaj vi havos trezoron en la ĉielo; kaj venu, sekvu min.
22Maar toen de jongeling dit woord vernam, ging hij treurig heen; want hij had veel bezittingen.
22Sed aŭdinte tiun diron, la junulo foriris malĝoja, ĉar li havis multajn posedaĵojn.
23Nu sprak Jesus tot zijn leerlingen: Voorwaar, Ik zeg u: het is voor een rijke moeilijk, het rijk der hemelen binnen te gaan.
23Kaj Jesuo diris al siaj disĉiploj: Vere mi diras al vi: Malfacile riĉulo eniros en la regnon de la ĉielo.
24En nog eens zeg Ik u: Een kameel gaat makkelijker door het oog van een naald, dan een rijke in het koninkrijk der hemelen.
24Kaj cetere mi diras al vi: Estas pli facile por kamelo iri tra trueton de kudrilo, ol por riĉulo eniri en la regnon de Dio.
25Toen de leerlingen dit hoorden, waren ze zeer verwonderd, en zeiden: Wie kan dan zalig worden?
25Kiam la disĉiploj tion aŭdis, ili forte miregis, dirante: Kiu do povas esti savita?
26Jesus zag hen aan, en sprak: Bij de mensen is dit onmogelijk; maar bij God is alles mogelijk.
26Kaj Jesuo, rigardante ilin, diris al ili: Ĉe homoj tio estas neebla, sed ĉe Dio ĉio estas ebla.
27Nu nam Petrus het woord, en zeide Hem: Zie, wij hebben alles verlaten, en zijn U gevolgd; wat zullen wij dan ontvangen?
27Tiam Petro responde diris al li: Jen ni ĉion forlasis, kaj vin sekvis; kion do ni havos?
28En Jesus sprak tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: bij de wedergeboorte, wanneer de Mensenzoon zal zetelen op de troon zijner majesteit, dan zult ook gij, die Mij zijt gevolgd, op twaalf tronen gezeten zijn, en de twaalf stammen van Israël oordelen.
28Jesuo diris al ili: Vere mi diras al vi, ke vi, kiuj min sekvis, en la renaskado, kiam la Filo de homo sidos sur la trono de sia gloro, vi ankaŭ sidos sur dek du tronoj, juĝante la dek du tribojn de Izrael.
29En al wie zijn huis, broers of zusters, vader of moeder, vrouw of kinderen of akkers verlaat om mijn Naam, hij zal het honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven verwerven.
29Kaj ĉiu, kiu forlasis domojn aŭ fratojn aŭ fratinojn aŭ patron aŭ patrinon aŭ infanojn aŭ kampojn pro mia nomo, ricevos multoble kaj heredos eternan vivon.
30Veel eersten zullen laatsten, en laatsten zullen eersten zijn.
30Sed multaj unuaj estos lastaj, kaj lastaj estos unuaj.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.