Matteus 15
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Louis Segond 1910
1Toen kwamen schriftgeleerden en farizeën van Jerusalem op Hem af, en zeiden:
1Alors des pharisiens et des scribes vinrent de Jérusalem auprès de Jésus, et dirent:
2Waarom overtreden uw leerlingen de overlevering der ouden? Zij wassen hun handen niet eens, als ze brood eten.
2Pourquoi tes disciples transgressent-ils la tradition des anciens? Car ils ne se lavent pas les mains, quand ils prennent leurs repas.
3Hij gaf hun ten antwoord: Waarom overtreedt gijzelf Gods gebod ter wille van uw overlevering? Want God heeft gezegd:
3Il leur répondit: Et vous, pourquoi transgressez-vous le commandement de Dieu au profit de votre tradition?
4Eert uw vader en moeder; en: Wie vader of moeder vloekt, moet sterven.
4Car Dieu a dit: Honore ton père et ta mère; et: Celui qui maudira son père ou sa mère sera puni de mort.
5Maar gij verklaart: Wie tot vader of moeder zegt: “Alles, waarmee ik u van dienst zou kunnen zijn, is tot offergave bestemd,”
5Mais vous, vous dites: Celui qui dira à son père ou à sa mère: Ce dont j’aurais pu t’assister est une offrande à Dieu, n’est pas tenu d’honorer son père ou sa mère.
6behoeft vader of moeder niet te eren. En om uw overlevering ziet gij Gods gebod over het hoofd.
6Vous annulez ainsi la parole de Dieu au profit de votre tradition.
7Huichelaars, terecht heeft Isaias van u geprofeteerd:
7Hypocrites, Ésaïe a bien prophétisé sur vous, quand il a dit:
8Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is verre van Mij.
8Ce peuple m’honore des lèvres, Mais son cœur est éloigné de moi.
9Ze eren Mij tevergeefs, daar ze leerstellingen voordragen, die menselijke geboden zijn.
9C’est en vain qu’ils m’honorent, En enseignant des préceptes qui sont des commandements d’hommes.
10En nadat Hij het volk tot Zich had geroepen, sprak Hij tot hen: Hoort en verstaat.
10Ayant appelé à lui la foule, il lui dit: Écoutez, et comprenez.
11Niet wat de mond ingaat, bezoedelt den mens; maar wat de mond uitkomt, dat bezoedelt den mens.
11Ce n’est pas ce qui entre dans la bouche qui souille l’homme; mais ce qui sort de la bouche, c’est ce qui souille l’homme.
12Nu naderden zijn leerlingen, en zeiden tot Hem: Weet Gij wel, dat de farizeën bij het horen van dit woord zich hebben geërgerd?
12Alors ses disciples s’approchèrent, et lui dirent: Sais-tu que les pharisiens ont été scandalisés des paroles qu’ils ont entendues?
13Hij antwoordde: Iedere plant, die mijn hemelse Vader niet heeft geplant, zal worden uitgerukt.
13Il répondit: Toute plante que n’a pas plantée mon Père céleste sera déracinée.
14Laat hen begaan; ze zijn blinde leiders van blinden; maar als de ene blinde den anderen leidt, vallen ze allebei in de kuil.
14Laissez-les: ce sont des aveugles qui conduisent des aveugles; si un aveugle conduit un aveugle, ils tomberont tous deux dans une fosse.
15Toen nam Petrus het woord, en zeide: Verklaar ons deze gelijkenis.
15Pierre, prenant la parole, lui dit: Explique-nous cette parabole.
16Hij sprak: Zijt ook gij nog zonder inzicht?
16Et Jésus dit: Vous aussi, êtes-vous encore sans intelligence?
17Begrijpt gij niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik terecht komt, en op zekere plaats wordt uitgeworpen?
17Ne comprenez-vous pas que tout ce qui entre dans la bouche va dans le ventre, puis est jeté dans les lieux secrets?
18Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart, en dat verontreinigt den mens.
18Mais ce qui sort de la bouche vient du cœur, et c’est ce qui souille l’homme.
19Want uit het hart komen slechte gedachten voort, moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, godslasteringen.
19Car c’est du cœur que viennent les mauvaises pensées, les meurtres, les adultères, les impudicités, les vols, les faux témoignages, les calomnies.
20Dit is het, wat den mens bezoedelt. Maar met ongewassen handen eten, bezoedelt den mens niet.
20Voilà les choses qui souillent l’homme; mais manger sans s’être lavé les mains, cela ne souille point l’homme.
21Toen vertrok Jesus van daar, en begaf zich naar de streek van Tyrus en Sidon.
21Jésus, étant parti de là, se retira dans le territoire de Tyr et de Sidon.
22En zie, een kanaänietische vrouw, afkomstig uit die streek, riep Hem toe: Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David; mijn dochter wordt vreselijk door den duivel gekweld.
22Et voici, une femme cananéenne, qui venait de ces contrées, lui cria: Aie pitié de moi, Seigneur, Fils de David! Ma fille est cruellement tourmentée par le démon.
23Hij gaf haar geen antwoord. En zijn leerlingen kwamen, en verzochten Hem: Stel haar tevreden; want ze roept ons achterna.
23Il ne lui répondit pas un mot, et ses disciples s’approchèrent, et lui dirent avec instance: Renvoie-la, car elle crie derrière nous.
24Hij antwoordde: Alleen tot de verloren schapen van het huis van Israël ben Ik gezonden.
24Il répondit: Je n’ai été envoyé qu’aux brebis perdues de la maison d’Israël.
25Maar ze kwam naar Hem toe, wierp zich voor Hem neer, en zeide: Heer, help mij.
25Mais elle vint se prosterner devant lui, disant: Seigneur, secours-moi!
26Hij gaf haar ten antwoord: Het is niet goed, het brood der kinderen te nemen, en het voor de hondjes te werpen.
26Il répondit: Il n’est pas bien de prendre le pain des enfants, et de le jeter aux petits chiens.
27Maar ze zeide: Ja wel, Heer; ook de hondjes eten toch van de kruimels, die van de tafel hunner meesters vallen.
27Oui, Seigneur, dit-elle, mais les petits chiens mangent les miettes qui tombent de la table de leurs maîtres.
28Toen antwoordde Jesus: O vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, zoals ge verlangt. Van dat ogenblik af was haar dochter genezen.
28Alors Jésus lui dit: Femme, ta foi est grande; qu’il te soit fait comme tu veux. Et, à l’heure même, sa fille fut guérie.
29Toen Jesus van daar was vertrokken, kwam Hij aan het meer van Galilea, ging de berg op, en zette Zich daar neer.
29Jésus quitta ces lieux, et vint près de la mer de Galilée. Étant monté sur la montagne, il s’y assit.
30Daar kwamen grote scharen naar Hem toe, die kreupelen, lammen, blinden, stommen en vele anderen bij zich hadden; men legde ze aan zijn voeten neer, en Hij genas ze.
30Alors s’approcha de lui une grande foule, ayant avec elle des boiteux, des aveugles, des muets, des estropiés, et beaucoup d’autres malades. On les mit à ses pieds, et il les guérit;
31De menigte stond verbaasd bij het zien, hoe stommen spraken, lammen genazen, kreupelen liepen, blinden zagen; en ze verheerlijkten den God van Israël.
31en sorte que la foule était dans l’admiration de voir que les muets parlaient, que les estropiés étaient guéris, que les boiteux marchaient, que les aveugles voyaient; et elle glorifiait le Dieu d’Israël.
32Nu riep Jesus zijn leerlingen bijeen, en sprak: Ik heb medelijden met de schare; want reeds drie dagen zijn ze bij Mij, en ze hebben niets te eten. Ik wil ze dus niet ongespijsd laten gaan, opdat ze onderweg niet bezwijken.
32Jésus, ayant appelé ses disciples, dit: Je suis ému de compassion pour cette foule; car voilà trois jours qu’ils sont près de moi, et ils n’ont rien à manger. Je ne veux pas les renvoyer à jeun, de peur que les forces ne leur manquent en chemin.
33Maar de leerlingen zeiden tot Hem: Hoe zullen we ons in een woestijn genoeg brood verschaffen, om zulk een grote menigte te verzadigen?
33Les disciples lui dirent: Comment nous procurer dans ce lieu désert assez de pains pour rassasier une si grande foule?
34Jesus zei hun: Hoeveel broden hebt gij? Ze antwoordden: Zeven, en enkele visjes.
34Jésus leur demanda: Combien avez-vous de pains? Sept, répondirent-ils, et quelques petits poissons.
35Toen beval Hij het volk, op de grond te gaan zitten.
35Alors il fit asseoir la foule par terre,
36Hij nam de zeven broden en de vissen, sprak een dankzegging uit, brak ze, en gaf ze aan zijn leerlingen; en de leerlingen gaven ze aan het volk.
36prit les sept pains et les poissons, et, après avoir rendu grâces, il les rompit et les donna à ses disciples, qui les distribuèrent à la foule.
37Allen aten, en werden verzadigd. En ze verzamelden de overgeschoten brokken: zeven korven vol.
37Tous mangèrent et furent rassasiés, et l’on emporta sept corbeilles pleines des morceaux qui restaient.
38Het waren ongeveer vier duizend mannen, die hadden gegeten, behalve nog de vrouwen en kinderen.
38Ceux qui avaient mangé étaient quatre mille hommes, sans les femmes et les enfants.
39En nadat Hij de menigte had heengezonden, ging Hij de boot in, en vertrok naar het gebied van Magadán.
39Ensuite, il renvoya la foule, monta dans la barque, et se rendit dans la contrée de Magadan.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.