Jozua
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Kralice Bible (1613)
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Daarna viel het lot voor de zonen van Josef. Hun zuidelijke grens liep van de Jordaan bij Jericho, oostelijk van de wateren van Jericho, langs de woestijn, die van Jericho door het gebergte oploopt naar Betel of Loez,
1Potom padl los synům Jozefovým, od Jordánu proti Jerichu při vodách Jerišských k východu, poušť, kteráž se začíná od Jericha přes hory Bethel.
2dan van Betel uit verder naar het gebied der Arkieten tot Atarot;
2A od Bethel vychází do Lůza, a přichází ku pomezí Archi do Atarot.
3vervolgens ging ze westwaarts omlaag naar het gebied der Jafletieten tot dat van Laag Bet-Choron en tot Gézer, en eindigde bij de zee.
3Potom jde k moři ku pomezí Jefleti, až ku pomezí Betoron dolního, a až k Gázer, a skonává se při moři.
4De zonen van Josef, Efraïm en Manasse, kregen het volgend erfdeel:
4I vzali dědictví své synové Jozefovi, Manasses a Efraim.
5Dit was het gebied van de families der Efraïmieten: De oostelijke grens van hun erfdeel was Atrot-Addar tot Hoog Bet-Choron.
5Byla pak meze synů Efraimových po čeledech jejich, ta byla meze dědictví jejich na východ, od Atarot Addar až do Betoron vrchního.
6De westelijke grens liep tot Mikmetat in het noorden, boog dan oostwaarts naar Taänat-Sjilo, en verder tot ten oosten van Janóach;
6A vychází meze ta k moři při Michmetat od půlnoční strany, a obchází meze k východu Tanatsilo, a přechází ji od východu k Janoe.
7van Janóach daalde ze tot Atarot en Naärata, en ging langs Jericho, tot ze uitkwam bij de Jordaan.
7A sstupuje z Janoe do Atarot a Nárat, a přichází do Jericha, a vychází k Jordánu.
8Van Tappóeach liep de grens westwaarts naar de beek Kana, en eindigde bij de zee. Dit is het erfdeel van de families van de stam der Efraïmieten.
8Od Tafue meze jde k moři ku potoku Kána, a skonává se při moři. To jest dědictví pokolení synů Efraim po čeledech jejich.
9Verder nog de steden, die voor de Efraïmieten midden in het erfdeel der kinderen van Manasse waren afgezonderd, al die steden met haar dorpen.
9Města pak oddělená synům Efraimovým byla u prostřed dědictví synů Manassesových, všecka města s vesnicemi svými.
10Maar de Kanaänieten, die in Gézer woonden, verdreven ze niet, zodat de Kanaänieten midden in Efraïm bleven wonen tot op de huidige dag; ze werden echter dienstplichtig.
10A nevyplénili Kananea bydlícího v Gázer. I bydlil Kananejský u prostřed Efraima až do dnes, dávaje plat.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.