Jozua 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bible Mutal (Kosraean)
1Daarna viel het lot voor de zonen van Josef. Hun zuidelijke grens liep van de Jordaan bij Jericho, oostelijk van de wateren van Jericho, langs de woestijn, die van Jericho door het gebergte oploopt naar Betel of Loez,
1Masrol layen nu eir ke acn sin tulik natul Joseph ah mutawauk Infacl Jordan apkuran nu Jericho, ke sie acn kutulap in unon in kof Jericho, srola nu yen mwesis na utyak nu yen fulat fahla nwe Bethel.
2dan van Betel uit verder naar het gebied der Arkieten tot Atarot;
2Fahla Bethel lac nu Luz, ac srola nwe Ataroth Addar, su acn sin mwet Arch,
3vervolgens ging ze westwaarts omlaag naar het gebied der Jafletieten tot dat van Laag Bet-Choron en tot Gézer, en eindigde bij de zee.
3oatula nu roto ke acn lun mwet Japhlet, som nwe ke sun Beth Horon Ten, fahla nwe Gezer, ac safla sisken Meoa Mediterranean.
4De zonen van Josef, Efraïm en Manasse, kregen het volgend erfdeel:
4Tulik natul Joseph, su sruf lal Ephraim ac sruf lal Manasseh Roto, elos eis acn inge tuh in ma lalos.
5Dit was het gebied van de families der Efraïmieten: De oostelijke grens van hun erfdeel was Atrot-Addar tot Hoog Bet-Choron.
5Pa inge acn lun sou ke sruf lal Ephraim. Masrol lalos mutawauk Ataroth Addar, fahla nu kutulap nu Beth Horon Lucng,
6De westelijke grens liep tot Mikmetat in het noorden, boog dan oostwaarts naar Taänat-Sjilo, en verder tot ten oosten van Janóach;
6ac safla ke Meoa Mediterranean. Michmethath el oan layen eir. Masrol nu kutulap fahla kuhfla nu acn Taanath Shiloh, fahla we lac nu kutulap in acn Janoah,
7van Janóach daalde ze tot Atarot en Naärata, en ging langs Jericho, tot ze uitkwam bij de Jordaan.
7na oatula Janoah lac nwe Ataroth ac Naarah, ut sisken acn Jericho ac fahla safla ke Infacl Jordan.
8Van Tappóeach liep de grens westwaarts naar de beek Kana, en eindigde bij de zee. Dit is het erfdeel van de families van de stam der Efraïmieten.
8Masrol nu roto fahla liki acn Tappuah nu infacl srisrik Kanah ac safla ke Meoa Mediterranean. Pa inge acn ma itukyang nu sin sou in sruf lal Ephraim tuh in ma lalos.
9Verder nog de steden, die voor de Efraïmieten midden in het erfdeel der kinderen van Manasse waren afgezonderd, al die steden met haar dorpen.
9Acn inge weang pacna acn ac inkul ma oan luin acn lun Manasseh, tusruktu itukyang nu sin mwet Ephraim.
10Maar de Kanaänieten, die in Gézer woonden, verdreven ze niet, zodat de Kanaänieten midden in Efraïm bleven wonen tot op de huidige dag; ze werden echter dienstplichtig.
10Mwet Ephraim elos tuh tiana lusak mwet Canaan ma muta in acn Gezer. Ke ma inge mwet Canaan elos srakna muta inmasrlon mwet Ephraim nwe misenge, tusruktu elos orekma oana mwet kohs nu sin mwet Ephraim.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.