Jozua 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Toen Josuë een hoge ouderdom had bereikt, sprak Jahweh tot hem: Ge zijt reeds hoogbejaard, en er valt nog een zeer groot deel van het land in bezit te nemen.
1و یوشع پیر و سالخورده شد، و خداوندبه وی گفت: «تو پیر و سالخورده شدهای و هنوز زمین بسیار برای تصرف باقی میماند.
2Dit nog overgebleven land omvat: alle gebieden der Filistijnen, met heel het land der Gesjoerieten
2و این است زمینی که باقی میماند، تمامی بلوک فلسطینیان و جمیع جشوریان.
3van de beek af ten oosten van Egypte tot de noordgrens van Ekron, die tot Kanaän moeten gerekend worden; het land der vijf filistijnse vorsten van Gaza, Asjdod, Asjkelon, Gat en Ekron, met dat der Awwieten
3ازشیحور که در مقابل مصر است تا سرحد عقرون به سمت شمال که از کنعانیان شمرده میشود، یعنی پنج سردار فلسطینیان از غزیان و اشدودیان و اشقلونیان و جتیان و عقرونیان و عویان.
4in het zuiden; het hele land der Kanaänieten, van de grot af, die aan de Sidoniërs behoort, tot Afeka en het gebied der Amorieten toe;
4و ازجنوب تمامی زمین کنعانیان و مغارهای که ازصیدونیان است تا افیق و تا سرحد اموریان.
5het land der Giblieten met de gehele Libanon in het oosten van Báal-Gad, aan de voet van het Hermongebergte, tot Chamat;
5وزمین جبلیان و تمامی لبنان به سمت مطلع آفتاب از بعل جاد که زیر کوه حرمون است تا مدخل حمات.
6heel het land der bergbewoners van de Libanon tot Misrefot in het westen, met dat der Sidoniërs. Ik zal ze wel voor de Israëlieten uitdrijven. Wijs dit land Israël maar vast als erfdeel aan, zoals Ik u bevolen heb,
6تمامی ساکنان کوهستان از لبنان تامصرفوت مایم که جمیع صیدونیان باشند، من ایشان را از پیش بنیاسرائیل بیرون خواهم کرد، لیکن تو آنها را به بنیاسرائیل به ملکیت به قرعه تقسیم نما چنانکه تو را امر فرمودهام.
7en verdeel het tot erfelijk bezit onder de negen stammen en de halve stam van Manasse.
7پس الان این زمین را به نه سبط و نصف سبط منسی برای ملکیت تقسیم نما.»
8De andere halve stam van Manasse ontving met de Rubenieten en Gadieten hun erfdeel, dat Moses hun oostelijk van de Jordaan had geschonken. Zo had Moses, de dienaar van Jahweh, het hun gegeven:
8با او روبینیان و جادیان ملک خود را گرفتندکه موسی در آن طرف اردن به سمت مشرق به ایشان داد، چنانکه موسی بنده خداوند به ایشان بخشیده بود.
9de streek van Aroër af, aan de oever van de beek Arnon, met de stad halverwege die beek, en de hele vlakte van Medeba tot Dibon;
9از عروعیر که بر کناره وادی ارنون است، و شهری که در وسط وادی است، و تمامی بیابان میدبا تا دیبون.
10dan alle steden van Sichon, den Amorietenkoning, die in Chesjbon regeerde, tot aan het gebied der Ammonieten;
10و جمیع شهرهای سیهون ملک اموریان که در حشبون تا سرحد بنی عمون حکمرانی میکرد.
11vervolgens Gilad, en het land der Gesjoerieten. en Maäkatieten met het gehele Hermongebergte en heel Basjan, tot Salka toe;
11و جلعاد و سرحدجشوریان و معکیان و تمامی کوه حرمون وتمامی باشان تا سلخه.
12eveneens het hele koninkrijk van Og in Basjan, die te Asjtarot en Edréi regeerde en een der overgeblevenen van de Refaieten was, welke Moses verslagen en verdreven had.
12و تمامی ممالک عوج در باشان که در اشتاروت و ادرعی حکمرانی میکرد، و او از بقیه رفائیان بود. پس موسی ایشان را شکست داد و بیرون کرد.
13De Israëlieten hebben echter de Gesjoerieten en Maäkatieten niet kunnen verdrijven, zodat Gesjoer en Maäkat midden in Israël zijn blijven wonen tot op de huidige dag.
13اما بنیاسرائیل جشوریان و معکیان را بیرون نکردند، پس جشور و معکی تا امروز در میان اسرائیل ساکنند.
14Alleen aan de stam Levi heeft hij geen erfdeel gegeven; Jahweh, Israëls God, moest zijn erfdeel zijn, zoals Jahweh het hem had bevolen.
14لیکن به سبط لاوی هیچ ملکیت نداد، زیراهدایای آتشین یهوه خدای اسرائیل ملکیت وی است چنانکه به او گفته بود.
15Aan de families van de stam der Rubenieten had Moses haar deel toegewezen.
15و موسی به سبط بنی روبین برحسب قبیله های ایشان داد.
16Zij kregen het gebied van Aroër af, aan de oever van de Arnon, met de stad halverwege die beek, en de gehele vlakte tot Chesjbon,
16و حدود ایشان از عروعیربود که به کنار وادی ارنون است و شهری که دروسط وادی است و تمامی بیابان که پهلوی میدبااست.
17met al zijn steden op die vlakte: Dibon, Bamot-Báal, en Bet-Báal-Meon,
17حشبون و تمامی شهرهایش که در بیابان است و دیبون و باموت بعل و بیت بعل معون.
18Jáhas, Kedemot en Mefáat,
18ویهصه و قدیموت و میفاعت.
19Kirjatáim, Sibma en Séret-Hassjáchar op het gebergte der vallei,
19و قریتایم و سبمه و سارت شحر که در کوه دره بود.
20Bet-Peor met de hellingen van de Pisga en Bet-Hajjesjimot;
20و بیت فغورو دامن فسجه و بیت یشیموت.
21vervolgens alle steden der vlakte met het hele rijk van den Amorietenkoning Sichon, die in Chesjbon regeerde, en dien Moses verslagen had met de midjanietische vorsten: Ewi, Rékem, Soer, Choer en Réba, welke als Sichons vazallen dit land bewoonden,
21و تمامی شهرهای بیابان و تمامی ممالک سیهون، ملک اموریان، که در حشبون حکمرانی میکرد، وموسی او را با سرداران مدیان یعنی اوی و راقم وصور و حور و رابع، امرای سیهون، که در آن زمین ساکن بودند، شکست داد.
22en tegelijk met den waarzegger Balaäm, den zoon van Beor, door de Israëlieten met het zwaard waren gedood.
22و بلعام بن بعور فالگیر را بنیاسرائیل در میان کشتگان به شمشیرکشتند.
23De grens van Ruben was de Jordaanstreek. Dit is het erfdeel van de families der Rubenieten: de steden met de bijbehorende dorpen.
23و سرحد بنی روبین اردن و کنارهاش بود. این ملکیت بنی روبین برحسب قبیله های ایشان بود یعنی شهرها و دهات آنها.
24Ook aan de families van de stam der Gadieten had Moses haar deel toegewezen.
24و موسی به سبط جاد یعنی به بنی جادبرحسب قبیله های ایشان داد.
25Zij kregen het gebied van Jazer, met alle steden van Gilad, en het halve land der Ammonieten tot aan Aroër tegenover Rabba;
25و سرحد ایشان یعزیز بود و تمامی شهرهای جلعاد و نصف زمین بنی عمون تا عروعیر که در مقابل ربه است.
26vervolgens het gebied van Chesjbon tot Ramat-Hammispe en Betonim, en dat van Machanáim tot aan het gebied van Debir;
26واز حشبون تا رامت مصفه و بطونیم و از محنایم تاسرحد دبیر.
27verder in de vlakte: Bet-Haram en Bet-Nimra, Soekkot en Safon met de rest van het rijk van Sichon, den koning van Chesjbon, en de Jordaanstreek, ten oosten van de Jordaan tot waar het meer van Gennezaret eindigt.
27و در دره بیت هارام و بیت نمره وسکوت و صافون و بقیه مملکت سیهون، ملک حشبون، و اردن و کناره آن تا انتهای دریای کنرت در آن طرف اردن به سمت مشرق.
28Dit is het erfdeel van de families der Gadieten: de steden met haar dorpen.
28این است ملکیت بنی جاد برحسب قبیله های ایشان یعنی شهرها و دهات آنها.
29Aan de families van de halve stam van Manasse had Moses eveneens haar deel toegewezen.
29و موسی به نصف سبط منسی داد و برای نصف سبط بنی منسی برحسب قبیله های ایشان برقرار شد.
30Zij kregen heel het gebied van Basjan, van Machanáim af, en het hele rijk van Og, den koning van Basjan; vervolgens alle kampementen van Jaïr in Basjan, zestig steden;
30و حدود ایشان از محنایم تمامی باشان یعنی تمامی ممالک عوج، ملک باشان وتمامی قریه های یائیر که در باشان است، شصت شهر بود.
31half Gilad met Asjtarot en Edréi, steden van het rijk van Og in Basjan, was voor de families der zonen van Makir, den zoon van Manasse, of liever gezegd van de helft der zonen van Makir.
31و نصف جلعاد و عشتاروت و ادرعی شهرهای مملکت عوج در باشان برای پسران ماکیر بن منسی یعنی برای نصف پسران ماکیربرحسب قبیله های ایشان بود.
32Dit zijn de erfdelen, die Moses had toegewezen in de vlakte van Moab, aan de overzijde van de Jordaan, ten oosten van Jericho.
32اینهاست آنچه موسی در عربات موآب درآن طرف اردن در مقابل اریحا به سمت مشرق برای ملکیت تقسیم کرد.
33Maar aan de stam Levi heeft Moses geen erfdeel gegeven; Jahweh, Israëls God, moest hun erfdeel zijn, zoals hij hun had gezegd.
33لیکن به سبط لاوی، موسی هیچ نصیب نداد زیرا که یهوه، خدای اسرائیل، نصیب ایشان است چنانکه به ایشان گفته بود.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.