Jeremia 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Wee de herders, die vernielen en verstrooien De kudde mijner weide, spreekt Jahweh!
1خداوند میگوید: «وای بر شبانانی که گله مرتع مرا هلاک و پراکنده میسازند.»
2Daarom spreekt Jahweh, Israëls God, Over de herders, die mijn volk moesten leiden: Gij hebt mijn schapen verspreid en verstrooid, En die niet willen zoeken; Nu kom ik ù zoeken om de boosheid uwer werken, Is de godsspraak van Jahweh!
2بنابراین، یهوه خدای اسرائیل درباره شبانانی که قوم مرا میچرانند چنین میگوید: «شما گله مرا پراکنده ساخته و رانده ایدو به آنها توجه ننمودهاید. پس خداوند میگویداینک من عقوبت بدی اعمال شما را بر شماخواهم رسانید.
3Ikzelf zal de rest van mijn schapen verzamelen, Uit alle landen, waarheen Ik ze heb verstrooid; Ik breng ze weer terug naar hun weide, Waar ze gedijen en groeien.
3و من بقیه گله خویش را از همه زمینهایی که ایشان را به آنها راندهام جمع خواهم کرد و ایشان را به آغلهای ایشان باز خواهم آوردکه بارور و بسیار خواهند شد.
4Dan stel Ik herders over hen aan, die ze weiden, Zodat ze niet vrezen of beven, En niet langer worden vermist: Is de godsspraak van Jahweh!
4وبرای ایشان شبانانی که ایشان را بچرانند برپا خواهم نمود که بار دیگر ترسان و مشوش نخواهند شد و مفقودنخواهند گردید.» قول خداوند این است.
5Zie, de dagen komen, spreekt Jahweh, Dat Ik David een rechtvaardige Spruit zal verwekken, Een Koning, die met wijsheid zal heersen, En recht en gerechtigheid doen in het land.
5خداوند میگوید: «اینک ایامی میآید که شاخهای عادل برای داود برپا میکنم و پادشاهی سلطنت نموده، به فطانت رفتار خواهد کرد وانصاف و عدالت را در زمین مجرا خواهد داشت.
6In zijn dagen zal Juda worden verlost, En Israël in veiligheid wonen; En dit is de Naam, waarmee men Hem noemt: Jahweh, onze gerechtigheid!
6در ایام وی یهودا نجات خواهد یافت و اسرائیل با امنیت ساکن خواهد شد و اسمی که به آن نامیده میشود این است: یهوه صدقینو (یهوه عدالت ما).
7Want zie, de dagen komen, Is de godsspraak van Jahweh, Dat men niet meer zal zeggen: Bij het leven van Jahweh, Die Israëls kinderen uit Egypte heeft geleid!
7بنابراین خداوند میگوید: اینک ایامی میآید که دیگر نخواهند گفت قسم به حیات یهوه که بنیاسرائیل را از زمین مصر برآورد.
8Maar: Bij het leven van Jahweh, Die Israëls kroost uit het noorderland heeft geleid, Uit alle landen, waarheen Hij hen had verstrooid, En ze weer naar hun eigen grond heeft gebracht!
8بلکه قسم به حیات یهوه که ذریت خاندان اسرائیل را از زمین شمال و از همه زمینهایی که ایشان را به آنها رانده بودم بیرون آورده، رهبری نموده است و در زمین خود ساکن خواهند شد.»
9Over de profeten: Mijn hart is verscheurd in mijn borst, Al mijn beenderen rillen er van; Ik ben als een beschonken man, Als een, die door wijn is bevangen: Want voor Jahweh en zijn heilig woord
9بهسبب انبیا دل من در اندرونم شکسته وهمه استخوانهایم مسترخی شده است، مثل شخص مست و مانند مرد مغلوب شراب ازجهت خداوند و از جهت کلام مقدس اوگردیدهام.
10Ligt het hele land vol overspelers! Want door hun schuld is het land in rouw, Liggen de dreven der steppe verdord, Jagen de mensen de boosheid na, Zoeken ze in de leugen hun kracht.
10زیرا که زمین پر از زناکاران است و بهسبب لعنت زمین ماتم میکند و مرتع های بیابان خشک شده است زیرا که طریق ایشان بد وتوانایی ایشان باطل است.
11Want profeet en priester zijn even bedorven, Zelfs in mijn tempel vind Ik hun boosheid, zegt Jahweh!
11چونکه هم انبیا و هم کاهنان منافقاند و خداوند میگوید: شرارت ایشان را هم در خانه خود یافتهام.
12Daarom wordt de weg, die ze gaan, Als een glibberig pad in het donker, Waarop ze struikelen en vallen. Want Ik ga rampen over hen brengen In hun jaar van vergelding: Is de godsspraak van Jahweh!
12بنابراین طریق ایشان مثل جایهای لغزنده در تاریکی غلیظ برای ایشان خواهد بود که ایشان رانده شده در آن خواهند افتاد. زیرا خداوند میگوید که «درسال عقوبت ایشان بلا بر ایشان عارض خواهم گردانید.
13Bij Samaria’s profeten Heb Ik verdwazing aanschouwd: Ze profeteerden door Báal, En misleidden Israël, mijn volk;
13و در انبیای سامره حماقتی دیدهام که برای بعل نبوت کرده، قوم من اسرائیل را گمراه گردانیدهاند.
14Maar bij Jerusalems profeten Heb Ik gruwelen ontdekt. Door hun overspel En hun omgaan met leugens Versterken ze de bozen nog in hun kwaad: Zodat niemand zich van zijn boosheid bekeert. En allen voor Mij als Sodoma werden, Als Gomorra al haar bewoners.
14و در انبیای اورشلیم نیز چیزهولناک دیدم. مرتکب زنا شده، به دروغ سلوک مینمایند و دستهای شریران را تقویت میدهندمبادا هر یک از ایشان از شرارت خویش بازگشت نماید. و جمیع ایشان برای من مثل سدوم وساکنان آن مانند عموره گردیدهاند.»
15Daarom zegt Jahweh der heirscharen Over die profeten: Zie, Ik spijs ze met alsem, En drenk ze met gif; Want van Jerusalems profeten Komt het bederf over het hele land!
15بنابراین یهوه صبایوت درباره آن انبیا چنین میگوید: «اینک من به ایشان افسنتین خواهم خورانید و آب تلخ به ایشان خواهم نوشانید زیراکه از انبیای اورشلیم نفاق در تمامی زمین منتشرشده است.»
16Zo spreekt Jahweh der heirscharen: Luistert niet naar het woord dier profeten, Die voor u de toekomst voorzeggen: Zij verdwazen u slechts, Ze verkonden visioenen van eigen vinding, Niet op Jahweh’s bevel!
16یهوه صبایوت چنین میگوید: «به سخنان این انبیایی که برای شما نبوت میکنندگوش مدهید زیرا شما را به بطالت تعلیم میدهندو رویای دل خود را بیان میکنند و نه از دهان خداوند.
17Ze beloven aan die het woord van Jahweh verachten: Ge zult vrede genieten! En aan allen, die hun afgestompt hart blijven volgen: Geen rampen zullen u treffen!
17و به آنانی که مرا حقیر میشمارندپیوسته میگویند: خداوند میفرماید که برای شما سلامتی خواهد بود و به آنانی که بهسرکشی دل خود سلوک مینمایند میگویند که بلا به شمانخواهد رسید.
18Wie hunner heeft in de raad van Jahweh gestaan, Zijn woord gezien en gehoord, wie het begrepen?
18زیرا کیست که به مشورت خداوند واقف شده باشد تا ببیند و کلام او رابشنود و کیست که به کلام او گوش فرا داشته، استماع نموده باشد.
19Neen, de storm van Jahweh zal komen, De gramschap barst los als een wervelwind, Op het hoofd der bozen stort zij zich uit!
19اینک باد شدید غضب خداوند صادر شده و گردبادی دور میزند و برسر شریران فرود خواهد آمد.
20De toorn van Jahweh legt zich niet neer, Eer Hij zijn plannen heeft ten uitvoer gebracht: Ten leste zult ge het zelf ondervinden!
20غضب خداوندتا مقاصد دل او را بجا نیاورد و به انجام نرساندبرنخواهد گشت. در ایام آخر این را نیکو خواهیدفهمید.
21Ik heb die profeten niet gezonden: toch gaan ze hun gang, Tot hen niet gesproken: toch profeteren ze er op los!
21من این انبیا را نفرستادم لیکن دویدند. به ایشان سخن نگفتم اما ایشان نبوت نمودند.
22Hadden zij in mijn raad gestaan, Dan zouden ze mijn volk mijn woorden doen horen, Hen van hun boze wandel bekeren, En van de slechtheid hunner werken.
22امااگر در مشورت من قایم میماندند، کلام مرا به قوم من بیان میکردند و ایشان را از راه بد و از اعمال شریر ایشان برمی گردانیدند.
23Ben Ik enkel een God van dichtbij, spreekt Jahweh; Geen God uit de verte?
23یهوه میگوید: آیا من خدای نزدیک هستم و خدای دور نی؟
24Kan iemand zich in een schuilhoek verbergen, Zodat Ik hem niet zou bespeuren, spreekt Jahweh? Vervul Ik niet hemel en aarde: Is de godsspraak van Jahweh!
24و خداوند میگوید: آیا کسی خویشتن را درجای مخفی پنهان تواند نمود که من او را نبینم مگر من آسمان و زمین را مملو نمی سازم؟ کلام خداوند این است.
25Ik heb gehoord wat de profeten verkonden, Die leugens voorspellen in mijn Naam, En zeggen: Ik had een droom, ik had een droom!
25سخنان انبیا را که به اسم من کاذبانه نبوت کردند شنیدم که گفتند خواب دیدم خواب دیدم.
26Hoe lang nog zijn die profeten van zin, Leugenprofeten te blijven, Profeten van hun eigen verzinsels?
26این تا به کی در دل انبیایی که کاذبانه نبوت میکنند خواهد بود که انبیای فریب دل خودشان میباشند،
27Zijn ze van plan, Mijn volk mijn Naam te laten vergeten Door de dromen, die ze vertellen De een aan den ander: Zoals hun vaderen mijn Naam Voor Báal hebben vergeten?
27که به خوابهای خویش که هر کدام از ایشان به همسایه خود باز میگویند خیال دارند که اسم مرا از یاد قوم من ببرند، چنانکه پدران ایشان اسم مرا برای بعل فراموش کردند.
28De profeet, die een droom heeft, vertelle zijn droom, Maar die mijn woord heeft ontvangen, Moet het naar waarheid verkonden! Wat heeft het stro met het koren gemeen, spreekt Jahweh?
28آن نبیای که خواب دیده است خواب را بیان کند و آن که کلام مرا دارد کلام مرا براستی بیان نماید. خداوند میگوید کاه را با گندم چهکاراست؟»
29Is mijn woord niet als vuur, Als een hamer, die de rotssteen vergruizelt?
29و خداوند میگوید: «آیا کلام من مثل آتش نیست و مانند چکشی که صخره را خردمی کند؟»
30Daarom: Ik zal die profeten, Is de godsspraak van Jahweh, Die mijn woorden stelen, de een van den ander! Ik zal die profeten,
30لهذا خداوند میگوید: «اینک من به ضد این انبیایی که کلام مرا از بکدیگر میدزدندهستم.»
31Die hun tong maar gebruiken, Om orakels te spreken!
31و خداوند میگوید: «اینک من به ضداین انبیا هستم که زبان خویش را بکار برده، میگویند: او گفته است.»
32Ik zal die profeten van valse dromen, Die mijn volk misleiden door hun vertelsels, Door hun leugens en zwetsen; Die Ik niet heb gezonden, geen opdracht gegeven, En dit volk van geen nut zijn: Is de godsspraak van Jahweh!
32و خداوند میگوید: «اینک من به ضد اینان هستم که به خوابهای دروغ نبوت میکنند و آنها را بیان کرده، قوم مرا به دروغها و خیالهای خود گمراه مینمایند. و من ایشان را نفرستادم و مامور نکردم پس خداوندمی گوید که به این قوم هیچ نفع نخواهند رسانید.
33En wanneer dit volk u komt vragen, Of een profeet of een priester: Waar is dan toch “de Last van Jahweh”, Dan moet ge hun zeggen: Gijzelf zijt die last, En Ik werp u af, is de godsspraak van Jahweh!
33و چون این قوم یا نبی یا کاهنی از تو سوال نموده، گویند که وحی خداوند چیست؟ پس به ایشان بگو: کدام وحی؟ قول خداوند این است که شما را ترک خواهم نمود.
34En de profeet, de priester of leek, Die zeggen durft: “Een Last van Jahweh”, Dien zal Ik straffen, hem en zijn huis!
34و آن نبی یا کاهن یاقومی که گویند وحی یهوه، همانا بر آن مرد و برخانهاش عقوبت خواهم رسانید.
35Dit moogt ge alleen tot elkander zeggen: “Wat heeft Jahweh geantwoord, Wat heeft Jahweh gezegd?”
35و هر کدام ازشما به همسایه خویش و هر کدام به برادر خودچنین گویید که خداوند چه جواب داده است وخداوند چه گفته است؟
36Ge moogt niet meer spreken van “Last van Jahweh”; Want die “Last” berust op uw eigen woord, En gij verdraait de woorden van den levenden God, Van Jahweh der heirscharen, onzen God.
36لیکن وحی یهوه رادیگر ذکر منمایید زیرا کلام هر کس وحی اوخواهد بود چونکه کلام خدای حی یعنی یهوه صبایوت خدای ما را منحرف ساختهاید.
37Zo moet ge den profeet ondervragen: “Wat heeft Jahweh geantwoord, wat heeft Jahweh gezegd?”
37و به نبی چنین بگو که خداوند به تو چه جواب داده وخداوند به تو چه گفته است؟
38Maar zo ge nog spreekt van “Een Last van Jahweh”, Waarachtig, dan zal Jahweh u zeggen: Omdat ge dit woord durft gebruiken: “Een Last van Jahweh”, Ofschoon Ik u toch liet zeggen: Ge moogt niet meer spreken van “Een Last van Jahweh”:
38و اگر میگویید: وحی یهوه، پس یهوه چنین میفرماید چونکه این سخن یعنی وحی یهوه را گفتید با آنکه نزد شمافرستاده، فرمودم که وحی یهوه را مگویید،
39Daarom pak Ik u op als een last, En slinger u weg tegelijk met de stad, Die Ik u en uw vaderen gaf: Weg uit mijn ogen!
39لهذا اینک من شما را بالکل فراموش خواهم کرد و شما را با آن شهری که به شما و به پدران داده بودم از حضور خود دور خواهمانداخت.
40En Ik zal eeuwige schande over u brengen, Eeuwige, onvergetelijke smaad!
40و عار ابدی و رسوایی جاودانی را که فراموش نخواهد شد بر شما عارض خواهم گردانید.»
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.