Jesaja
Chapter 49
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chinese Union Vers…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Eilanden, luistert naar Mij; Hoort aandachtig, verre volken: Jahweh heeft van mijn geboorte af Mij geroepen, Van de moederschoot af mijn naam genoemd.
1众海岛啊,当听我言! 远方的众民哪,留心而听! 自我出胎,耶和华就选召我; 自出母腹,他就提我的名。
2Hij maakte mijn mond een vlijmend zwaard, Hield Mij in de schaduw van zijn hand verborgen; Hij wette Mij tot een scherpe pijl, En stak Mij weg in zijn koker.
2他使我的口如快刀, 将我藏在他手荫之下; 又使我成为磨亮的箭, 将我藏在他箭袋之中;
3Hij sprak tot Mij: Gij zijt mijn Dienaar, Door wien Ik Mij glorie bereid. Zo werd Ik geëerd in de ogen van Jahweh, En mijn God was mijn kracht.
3对我说:你是我的仆人 以色列 ; 我必因你得荣耀。
4Ik zeide: Ik zwoeg tevergeefs, Voor niets en vruchteloos verspil Ik mijn kracht; Mijn aanspraak is echter bij Jahweh, Mijn loon bij mijn God!
4我却说:我劳碌是徒然; 我尽力是虚无虚空。 然而,我 当得 的理必在耶和华那里; 我的赏赐必在我 神那里。
5Maar nu spreekt Jahweh, Die tot zijn Dienaar Mij vormde van de moederschoot af, Om Jakob tot Hem terug te brengen, En Israël voor Hem te verzamelen:
5耶和华从我出胎,造就我作他的仆人, 要使 雅各 归向他, 使 以色列 到他那里聚集。 原来耶和华看我为尊贵; 我的 神也成为我的力量。
6Hij spreekt: Het is te gering, mijn Dienaar te zijn, Om Jakobs stammen op te richten en Israëls resten terug te brengen: Ik stel U tot Licht voor de heidenen, Om mijn heil te doen reiken tot de grenzen der aarde!
6现在他说:你作我的仆人, 使 雅各 众支派复兴, 使 以色列 中得保全的归回尚为小事, 我还要使你作外邦人的光, 叫你施行我的救恩,直到地极。
7Zo spreekt Jahweh, Israëls Heilige en Verlosser, Tot Hem, die door het volk wordt veracht en verfoeid, Tot den slaaf der tyrannen! Koningen rijzen omhoog, wanneer ze U zien, En vorsten werpen zich neer; Omdat Jahweh getrouw is, Israëls Heilige U uitverkoos!
7救赎主— 以色列 的圣者耶和华 对那被人所藐视、本国所憎恶、 官长所虐待的如此说: 君王要看见就站起, 首领也要下拜; 都因信实的耶和华, 就是拣选你— 以色列 的圣者。
8Zo spreekt Jahweh: Ik verhoor U in de tijd der genade, En sta U bij op de dag van het heil; Ik heb U gevormd en bestemd Tot een Verbond met het volk: Om het land weer op te richten, De braak liggende erven te verdelen;
8耶和华如此说: 在悦纳的时候,我应允了你; 在拯救的日子,我济助了你。 我要保护你, 使你作众民的中保; 复兴遍地, 使人承受荒凉之地为业。
9Om tot de gevangenen te zeggen: Trekt uit! Die in duisternis zitten: Komt tot het licht! Langs alle wegen zullen ze weiden, Op iedere rots hun grasveld vinden;
9对那被捆绑的人说:出来吧! 对那在黑暗的人说:显露吧! 他们在路上必得饮食, 在一切净光的高处必有食物。
10Ze zullen honger lijden noch dorst, Geen verzengende wind of zon zal ze kwellen! Want hun Ontfermer zal ze geleiden, Ze naar de waterbronnen voeren;
10不饥不渴, 炎热和烈日必不伤害他们; 因为怜恤他们的必引导他们, 领他们到水泉旁边。
11Van al mijn bergen maak Ik een weg, En al mijn paden worden gebaand!
11我必使我的众山成为大道; 我的大路也被修高。
12Zie, de één komt uit het oosten, De andere komt uit het noorden, Anderen weer uit het westen, Anderen uit het land der Sinieten:
12看哪,这些从远方来; 这些从北方、从西方来; 这些从 秦 国来。
13Jubelt, hemelen, verheugt u, aarde, Bergen, barst in juichkreten los; Want Jahweh ontfermt zich over zijn volk, Heeft medelijden met zijn ellende!
13诸天哪,应当欢呼! 大地啊,应当快乐! 众山哪,应当发声歌唱! 因为耶和华已经安慰他的百姓, 也要怜恤他困苦之民。
14Maar Sion zegt: Jahweh heeft mij verlaten, De Heer mij vergeten!
14锡安 说:耶和华离弃了我; 主忘记了我。
15Kan dan een vrouw soms haar kindje vergeten, Zich niet ontfermen over den zoon van haar schoot? En al zou ook zij het vergeten, Ik, Ik vergeet u nooit!
15妇人焉能忘记她吃奶的婴孩, 不怜恤她所生的儿子? 即或有忘记的, 我却不忘记你。
16Zie, Ik heb u gegrift in de palm van mijn handen, En uw muren staan Mij steeds voor de geest!
16看哪,我将你铭刻在我掌上; 你的墙垣常在我眼前。
17Die u uit uw puinen herbouwen, snellen al toe, Nu uw vernielers zijn weggetrokken.
17你的儿女必急速 归回 ; 毁坏你的,使你荒废的,必都离你出去,
18Sla uw ogen op, en zie rond: Ze zijn allen bijeen, en komen tot u! Zo waarachtig Ik leef, Spreekt Jahweh: Als een feestgewaad trekt gij ze allen aan, Gij omgordt u er mee als een bruid.
18你举目向四方观看; 他们都聚集来到你这里。 耶和华说:我指着我的永生起誓: 你必要以他们为妆饰佩戴, 以他们为华带束腰,像新妇一样。
19Want uw ruïnen en puinen En uw land, dat verwoest ligt, Waarachtig, nu worden ze voor de bewoners te eng, En die u vernielen, zijn verre!
19至于你荒废凄凉之处, 并你被毁坏之地, 现今众民居住必显为太窄; 吞灭你的必离你遥远。
20Weer zullen ze het u in de oren roepen, De zonen van u, die kinderloos waart: De ruimte is veel te klein voor mij; Maak plaats, opdat ik kan wonen!
20你必听见丧子之后所生的儿女说: 这地方我居住太窄, 求你给我地方居住。
21Dan zult ge zeggen bij uzelf: Wie heeft mij dezen gebaard? Ik had toch geen kinderen, Ik was toch onvruchtbaar! Ik was verbannen en verstoten: Wie dan heeft ze groot gebracht; Zie, alleen was ik overgebleven: Waar komen ze dan vandaan?
21那时你心里必说:我既丧子独居, 是被掳的,漂流在外。 谁给我生这些? 谁将这些养大呢? 撇下我一人独居的时候, 这些在哪里呢?
22Zo spreekt de Heer, Jahweh, uw God: Zie, Ik hef mijn hand op naar de naties, Steek mijn banier omhoog naar de volken: Uw zonen brengen ze aan, aan hun boezem gedrukt, Uw dochters worden op de schouders gedragen;
22主耶和华如此说: 我必向列国举手, 向万民竖立大旗; 他们必将你的众子怀中抱来, 将你的众女肩上扛来。
23Koningen zullen uw opvoeders zijn, Hun vorstinnen uw voedsters! Ze werpen zich voor u neer, het gezicht op de grond, En likken het stof van uw voeten; Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben, Dat wie op Mij hopen, niet worden beschaamd!
23列王必作你的养父; 王后必作你的乳母。 他们必将脸伏地,向你下拜, 并舔你脚上的尘土。 你便知道我是耶和华; 等候我的必不致羞愧。
24Zal dan den sterke zijn prooi nog worden ontrukt, De gevangene zijn tyran nog ontsnappen?
24勇士抢去的岂能夺回? 该掳掠的岂能解救吗?
25Ja! Zelfs den sterke wordt de gevangene ontrukt, De prooi zal den tyran nog ontsnappen! Want zo spreekt Jahweh: Ikzelf zal uw bestrijders bekampen En uw zonen verlossen;
25但耶和华如此说: 就是勇士所掳掠的,也可以夺回; 强暴人所抢的,也可以解救。 与你相争的,我必与他相争; 我要拯救你的儿女。
26Uw verdrukkers zal Ik hun eigen vlees laten eten, En dronken zullen ze worden van hun eigen bloed als van most. Dan zullen alle mensen weten, Dat Ik, Jahweh, het ben, die u redt, Jakobs Sterke, uw Verlosser!
26并且我必使那欺压你的吃自己的肉, 也要以自己的血喝醉,好像喝甜酒一样。 凡有血气的必都知道我—耶和华是你的救主, 是你的救赎主,是 雅各 的大能者。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.