Jesaja 51
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Simplified)
1Luistert naar Mij, die naar gerechtigheid streeft, En die Jahweh wilt zoeken! Ziet naar de rots, waaruit gij gehouwen, De groeve, waaruit gij gegraven zijt;
1你们这追求公义、 寻求耶和华的,当听我言! 你们要追想被凿而出的磐石, 被挖而出的岩穴。
2Ziet op naar Abraham, uw vader, Naar Sara, die u heeft gebaard: Hoe Ik hem heb geroepen, toen hij alleen stond, Hem heb gezegend en vermeerderd.
2要追想你们的祖宗 亚伯拉罕 和生养你们的 撒拉 ; 因为 亚伯拉罕 独自一人的时候, 我选召他,赐福与他, 使他 人数 增多。
3Want Jahweh heeft medelijden met Sion, Mededogen met al zijn puinen:Hij zal zijn steppe in een Eden veranderen, Zijn woestenij in Jahweh’s tuin; Men zal er vreugde en blijdschap in vinden, Lofgezang en muziek!
3耶和华已经安慰 锡安 和 锡安 一切的荒场, 使旷野像 伊甸 , 使沙漠像耶和华的园囿; 在其中必有欢喜、快乐、感谢, 和歌唱的声音。
4Hoor naar Mij, o mijn volk, Mijn natie, luister naar Mij: Want van Mij gaat de wet uit, Mijn recht als een licht voor de volken;
4我的百姓啊,要向我留心; 我的国民哪,要向我侧耳; 因为训诲必从我而出; 我必坚定我的公理为万民之光。
5Snel nadert mijn gerechtigheid, mijn redding verschijnt, Mijn armen zullen de volkeren richten; Op Mij zullen de eilanden hopen, Verlangend uitzien naar mijn arm.
5我的公义临近; 我的救恩发出。 我的膀臂要审判万民; 海岛都要等候我,倚赖我的膀臂。
6Heft uw ogen omhoog naar de hemel, En blikt naar de aarde omlaag: De hemel zal in rook vervliegen, De aarde slijten als een kleed, En die er op wonen, Zullen sterven als muggen; Maar mijn heil zal duren voor eeuwig, Mijn gerechtigheid zal nimmer vergaan!
6你们要向天举目, 观看下地; 因为天必像烟云消散, 地必如衣服渐渐旧了; 其上的居民也要如此死亡。 惟有我的救恩永远长存; 我的公义也不废掉。
7Hoort dan naar Mij, die de gerechtigheid kent, Volk, dat mijn wet bewaart in zijn hart: Weest niet bevreesd voor de hoon van de mensen, Niet beducht voor hun smaad.
7知道公义、将我训诲存在心中的民, 要听我言! 不要怕人的辱骂, 也不要因人的毁谤惊惶。
8Want de mot vreet ze weg als een kleed. De worm verteert ze als wol; Maar mijn gerechtigheid zal duren voor eeuwig, Mijn heil van geslacht tot geslacht!
8因为蛀虫必咬他们,好像咬衣服; 虫子必咬他们,如同咬羊绒。 惟有我的公义永远长存, 我的救恩直到万代。
9Op, arm van Jahweh; op, en bekleed u met kracht, Op, als van ouds, als in vroegere tijden! Waart gij het niet, die Ráhab vanéén spleet, En het monster doorboorde;
9耶和华的膀臂啊,兴起!兴起! 以能力为衣穿上, 像古时的年日、上古的世代兴起一样。 从前砍碎 拉哈伯 、 刺透大鱼的,不是你吗?
10Waart gij het niet, die de zee liet verdrogen, De wateren van de onmetelijke vloed; Die de diepten der zee tot een weg hebt gemaakt, Tot een doortocht voor de verlosten?
10使海与深渊的水干涸、 使海的深处变为赎民经过之路的, 不是你吗?
11Die door Jahweh worden bevrijd, keren terug, En trekken juichend naar Sion; Het hoofd met eeuwige vreugde gekroond, Overstelpt van vreugde en blijdschap. Verdwenen zijn kommer en zuchten;
11耶和华救赎的民必归回, 歌唱来到 锡安 ; 永乐必归到他们的头上。 他们必得着欢喜快乐; 忧愁叹息尽都逃避。
12Ik ben het zelf, die u troost! Hoe kunt ge dan vrezen voor mensen, die sterven, Voor een mensenkind, dat vergaat als het gras?
12惟有我,是安慰你们的。 你是谁,竟怕那必死的人? 怕那要变如草的世人?
13Hoe kunt ge Jahweh, uw Schepper, vergeten, Die de hemelen spande, de aarde grondde; Hoe immerdoor beven voor de woede van den verdrukker, Als bezat hij de macht, om u te vernielen? Waar is toch de woede van uw verdrukker?
13却忘记铺张诸天、立定地基、 创造你的耶和华? 又因欺压者图谋毁灭要发的暴怒, 整天害怕, 其实那欺压者的暴怒在哪里呢?
14De in boeien gekromde wordt spoedig bevrijd; Hij zal niet sterven in de kerker, Het brood zal hem nimmer ontbreken!
14被掳去的快得释放, 必不死而下坑; 他的食物也不致缺乏。
15Ik ben Jahweh, uw God, Die de zee beroert, En de golven doet bruisen; Die Jahweh der heirscharen wordt genoemd!
15我是耶和华—你的 神— 搅动大海,使海中的波浪匉訇— 万军之耶和华是我的名。
16Ik legde mijn woorden in uw mond, Hield in de schaduw van mijn hand u verborgen: Om opnieuw de hemel te spannen, en de aarde te gronden, En tot Sion te zeggen: Gij zijt mijn volk!
16我将我的话传给你, 用我的手影遮蔽你, 为要栽定诸天,立定地基, 又对 锡安 说:你是我的百姓。
17Ontwaak, ontwaak; Jerusalem, sta op: Die uit Jahweh’s hand de kelk van zijn toorn hebt gedronken, De zwijmelbeker tot de bodem toe hebt geleegd!
17耶路撒冷 啊,兴起! 兴起!站起来! 你从耶和华手中喝了他忿怒之杯, 喝了那使人东倒西歪的爵,以致喝尽。
18Er is niemand geweest, die haar leidde, Van al de zonen, die zij had gebaard; Niet één, die haar bij de hand heeft gevat, Van al de zonen, die zij groot had gebracht.
18她所生育的诸子中,没有一个引导她的; 她所养大的诸子中,没有一个搀扶她的。
19Deze twee rampen hebben u getroffen; Wie klaagt er om u: Verwoesting en puinen, honger en zwaard; Wie kan u troosten?
19荒凉、毁灭、饥荒、刀兵, 这几样临到你, 谁为你举哀? 我如何能安慰你呢?
20Uw zonen liggen beschonken op alle hoeken der straten, Als een gazel in de strik: Dronken van de gramschap van Jahweh, Van het dreigen van onzen God.
20你的众子发昏, 在各市口上躺卧, 好像黄羊在网罗之中, 都满了耶和华的忿怒 —你 神的斥责。
21Rampzalige, luister toch; Beschonkene, maar niet van de wijn!
21因此,你这困苦却非因酒而醉的, 要听我言。
22Zo spreekt Jahweh, uw Heer, Uw God, die pleit voor zijn volk: Zie, Ik neem weg uit uw hand De kelk der bezwijming; De kelk van mijn gramschap Zult gij langer niet drinken!
22你的主耶和华— 就是为他百姓辨屈的 神如此说: 看哪,我已将那使人东倒西歪的杯, 就是我忿怒的爵, 从你手中接过来; 你必不致再喝。
23Ik plaats hem in de handen van uw verdrukkers, In de handen van uw tyrannen, Die tot u zeggen: Buk u neer, Opdat wij over u heen kunnen lopen; Maak uw rug tot een bodem, Tot een straat om te wandelen.
23我必将这杯递在苦待你的人手中; 他们曾对你说:你屈身, 由我们践踏过去吧! 你便以背为地, 好像街市,任人经过。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.