Hosea
Chapter 5
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Londona Biblio (Es…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Londona Biblio (Esperanto, 1910)
1Luistert nu, priesters; Huis van Israël, let op; Huis des konings, hoort toe: Want u geldt het vonnis! Want gij zijt een strik voor Mispa geworden, Een net over de Tabor gespannen,
1Aŭskultu tion, ho pastroj, atentu, ho domo de Izrael, kaj prenu en viajn orelojn, ho reĝa domo; ĉar vin trafos juĝo pro tio, ke vi estis kaptilo en Micpa kaj etendita reto sur Tabor.
2Een diepe groeve voor Sjittim: Maar Ik zal u allen een gesel zijn!
2Per premado ili profundigis la pekojn; Mi punos ĉiujn.
3Efraïm ligt voor Mij open, En Israël kan zich voor Mij niet verbergen: Gij, Efraïm, hebt ontucht bedreven, En Israël heeft zich bezoedeld.
3Mi konas Efraimon, kaj Izrael ne estas kaŝita antaŭ Mi: vi nun malĉastas, ho Efraim, kaj Izrael malpuriĝis.
4Hun daden zijn er niet op gericht, Om zich tot hun God te bekeren; Want een geest van ontucht heerst in hun midden, En Jahweh kennen ze niet!
4Iliaj agoj ne permesas al ili reveni al ilia Dio, ĉar spirito de malĉasteco estas en ili kaj la Eternulon ili ne konas.
5De onbeschaamdheid Ligt Israël op het gelaat; Efraïm komt door zijn eigen misdaad ten val, Ook Juda struikelt met hem.
5La malmodesteco de Izrael parolas kontraŭ li antaŭ lia vizaĝo; tial Izrael kaj Efraim falos pro siaj malbonagoj; ankaŭ Jehuda falos kun ili.
6Met hun schapen en vee Willen ze Jahweh gaan zoeken; Maar ze vinden Hem niet: Hij onttrekt zich aan hen.
6Kun siaj ŝafoj kaj bovoj ili iros serĉi la Eternulon, sed ne trovos; Li foriĝis de ili.
7Want ze hebben hun trouw aan Jahweh gebroken, En bastaardkinderen verwekt; Nu zal de verdelger ze verslinden, Henzelf en hun akkers.
7Ili perfidis al la Eternulo, kaj naskis fremdajn infanojn; tial ekstermos ilin la monato kune kun ilia havaĵo.
8Blaast de bazuin in Giba, De trompet in Rama; Schreeuwt het uit in Bet-Awen, Schrikt Benjamin op!
8Blovu per korno en Gibea, per trumpeto en Rama; bruu en Bet-Aven, post vi, ho Benjamen!
9Efraïm zal een wildernis worden, Op de dag der kastijding; De stammen Israëls kondig Ik aan Wat vast is besloten.
9Efraim fariĝos dezerto en la tago de la puno; inter la triboj de Izrael Mi avertis fidele.
10De vorsten van Juda zijn grenzenvervalsers; Als water stort Ik mijn gramschap over hen uit.
10La princoj de Jehuda fariĝis similaj al forŝovantoj de limo; Mi elverŝos sur ilin Mian koleron kiel akvon.
11Efraïm verdrukt en verkracht het recht, Want hunkerend loopt hij het bederf achterna!
11Efraim estas premata, frapita de la juĝo; ĉar li memvole sekvis homan ordonon.
12Voor Efraïm zal Ik zijn als de mot, Voor het huis van Juda als wormsteek!
12Mi estos por Efraim kiel tineo, kiel putro por la domo de Jehuda.
13Efraïm zal zijn broosheid bemerken, Juda zijn etterende wonde. Efraïm zal zich tot Assjoer wenden, Juda gezanten zenden naar “Grote Koning”; Maar die zal u niet kunnen genezen, Uw wonde niet helen.
13Efraim vidis sian malsanon, kaj Jehuda sian vundon; tiam Efraim iris al Asirio, kaj sendis al reĝo, kiu venĝus pro li; sed li ne povas sanigi vin, ne forigos de vi la vundon.
14Want Ik zal voor Efraïm zijn als de leeuw, Als een leeuwenwelp voor het huis van Juda. Ik zal ze verscheuren, dan loop Ik heen; Ik sleep ze weg, en niemand, die Mij mijn prooi ontrukt. Dan keer Ik terug naar mijn plaats,
14Ĉar Mi estas kiel leono por Efraim, kiel leonido por la domo de Jehuda; Mi, Mi disŝiros kaj foriros; Mi forportos, kaj neniu povos savi.
15Totdat ze boete doen, mijn aangezicht zoeken, En hunkeren naar Mij in hun nood:
15Mi iros returne sur Mian lokon, ĝis ili konfesos sian kulpon kaj serĉos Mian vizaĝon; kiam ili suferos, ili Min serĉos, kaj diros:

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.