Genesis 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Synodal Translation (Синодальный перевод)
1Zo werden hemel en aarde voltooid met heel hun heir.
1Так совершены небо и земля и все воинство их.
2En toen God op de zevende dag het werk had voltooid, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij had gedaan.
2И совершил Бог к седьмому дню дела Свои, которые Он делал, и почил в день седьмый от всех дел Своих, которые делал.
3God zegende de zevende dag, en verklaarde die heilig, omdat God toen rustte van al het werk, dat Hij geschapen en tot stand had gebracht.
3И благословил Бог седьмой день, и освятил его, ибо в оный почил от всех дел Своих, которые Бог творил и созидал.
4Dit is de scheppingsgeschiedenis van hemel en aarde. Toen Jahweh God aarde en hemel gemaakt had,
4Вот происхождение неба и земли, при сотворении их, в то время, когда Господь Бог создал землю и небо,
5groeide er op aarde nog geen enkele struik in het wild, en evenmin ontsproot er gras op de velden; want Jahweh God had het nog niet laten regenen op aarde, en er was nog geen mens, om het land te bewerken;
5и всякий полевой кустарник, которого еще не было на земле, и всякую полевую траву, которая еще не росла, ибо Господь Бог не посылал дождя на землю, и не было человека для возделывания земли,
6maar een damp steeg op uit de aarde, die heel de aardbodem drenkte.
6но пар поднимался с земли и орошал все лице земли.
7Toen vormde Jahweh God den mens uit kleiaarde, en blies levensadem in zijn neus; zo werd de mens een levend wezen.
7И создал Господь Бог человека из праха земного, и вдунул в лице его дыхание жизни, и стал человек душею живою.
8Nu plantte Jahweh God een tuin in Eden, in het oosten, en plaatste daarin den mens, dien Hij gemaakt had.
8И насадил Господь Бог рай в Едеме на востоке, и поместил там человека, которого создал.
9Uit de bodem liet Jahweh God allerlei bomen opschieten, prachtig van vorm en met heerlijke vruchten; en midden in de tuin stond de levensboom, en de boom der kennis van goed en kwaad.
9И произрастил Господь Бог из земли всякое дерево, приятное на вид и хорошее для пищи, и дерево жизни посреди рая, и дерево познания добра и зла.
10In Eden ontsprong een rivier, die de tuin bevloeide, en zich verderop in vier takken splitste.
10Из Едема выходила река для орошения рая; и потом разделялась на четыре реки.
11De eerste heet de Pisjon; deze stroomt om het hele land Chawila heen, waar het goud wordt gevonden;
11Имя одной Фисон: она обтекает всю землю Хавила, ту, где золото;
12het goud van dat land is voortreffelijk; men vindt daar ook balsemhars en robijnen.
12и золото той земли хорошее; там бдолах и камень оникс.
13De tweede stroom heet de Gichon, en deze omspoelt het hele land van Koesj.
13Имя второй реки Гихон (Геон): она обтекает всю землю Куш.
14De derde stroom heet de Tigris, en loopt ten oosten van Assjoer. De vierde is de Eufraat.
14Имя третьей реки Хиддекель (Тигр): она протекает пред Ассириею. Четвертая река Евфрат.
15Daarop plaatste Jahweh God den mens in de tuin van Eden, om die te bewerken en te bewaken.
15И взял Господь Бог человека, которого создал, и поселил его в саду Едемском, чтобы возделывать его и хранить его.
16En Jahweh God gaf den mens het volgend gebod: Van alle bomen uit de tuin moogt ge eten;
16И заповедал Господь Бог человеку, говоря: от всякого дерева в саду ты будешь есть,
17maar van de boom der kennis van goed en kwaad moogt ge niet eten; want wanneer ge daarvan eet, zult ge sterven.
17а от дерева познания добра и зла не ешь от него, ибо в день, в который ты вкусишь от него, смертью умрешь.
18En Jahweh God sprak: Het is niet goed voor den mens, dat hij alleen blijft. Ik zal dus een hulp voor hem maken, die hem past.
18И сказал Господь Бог: не хорошо быть человеку одному; сотворим ему помощника, соответственного ему.
19Toen vormde Jahweh God uit de klei alle dieren op het land en alle vogels in de lucht, en voerde ze naar den mens, om te zien, hoe hij ze zou noemen; want zoals de mens elk levend wezen zou noemen, zo zou het heten.
19Господь Бог образовал из земли всех животных полевых и всех птиц небесных, и привел их к человеку, чтобы видеть, как он назовет их, и чтобы, как наречет человек всякую душу живую, так и было имя ей.
20De mens gaf dan namen aan alle tamme dieren en aan de vogels in de lucht en aan alle dieren in het wild, maar vond geen hulp, die hem paste.
20И нарек человек имена всем скотам и птицам небесным и всем зверям полевым; но для человека не нашлось помощника, подобного ему.
21Nu bracht Jahweh God den mens in een diepe slaap; en terwijl hij sliep, nam Hij een van zijn ribben, en zette er vlees voor in de plaats.
21И навел Господь Бог на человека крепкий сон; и, когда он уснул, взял одно из ребер его, и закрыл то место плотию.
22Dan bouwde Jahweh God een vrouw uit de rib, die Hij uit den mens had genomen, en leidde haar tot den mens.
22И создал Господь Бог из ребра, взятого у человека, жену, и привел ее к человеку.
23Toen sprak de mens: Deze is eindelijk been van mijn gebeente En vlees van mijn vlees. Mannin zal zij heten, Omdat zij van den man is genomen.
23И сказал человек: вот, это кость от костей моих и плоть от плоти моей; она будет называться женою, ибо взята от мужа своего.
24Daarom verlaat de man zijn vader en moeder, en hecht zich geheel aan zijn vrouw; en zij worden één vlees.
24Потому оставит человек отца своего и мать свою и прилепится к жене своей; и будут два одна плоть.
25De mens en zijn vrouw waren allebei naakt, maar zij schaamden zich niet voor elkander.
25И были оба наги, Адам и жена его, и не стыдились.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.