Efesiers 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Gij kinderen, weest gehoorzaam aan uw ouders in den Heer; want dit is uw plicht.
1KOMAIL jeri kan peiki on me wia komail ada pan Kaun o, pwe i me pun.
2“Eer uw vader en uw moeder;” dit is het eerste gebod, waaraan de belofte verbonden is:
2Kakaki jam om o in om, iei tapin kujoned, me inaupa mia,
3“opdat het u goed moge gaan, en ge lang moogt leven op aarde.”
3Pwe koe en injenemau o pil maur warai nin jappa.
4En gij vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt ze op in de tucht en in de vermaning des Heren.
4Komail jam akan der kamakar mal noumail jeri kan, kakair irail ada ni kaian mau o panau on Kaun o.
5Gij slaven, weest aan uw aardse meesters met vrees en siddering onderdanig: in de eenvoud uws harten, zoals aan Christus;
5Komail ladu kan en oke omail jaumaj akan ni pali uduk ni majak o rerer o pil ni tiak en karakarak en monion omail dueta on Krijtuj.
6niet uit ogendienarij, als zij die mensen willen behagen; maar als slaven van Christus, die van harte de wil van God volbrengen,
6Kaidin janjal mon aramaj eta, pwen konekon re ’rail, a en dueta ladu en Krijtuj, me kin pereperen wiawia kupur en Kot jan monion omail.
7en die met goede wil hun dienst verrichten, als dienden ze den Heer en niet de mensen.
7O komail en papa mau, pwe on Kaun o, a kaidin on aramaj akan.
8Gij weet immers, dat ieder, die het goede doet, door den Heer zal worden beloond; hij moge slaaf zijn of vrij.
8Pwe komail aja, me mau kot, me amen pan wiada, Kaun pan katini on i jota lipilipil ij i, ma ladu de me maioda amen.
9En gij meesters, behandelt hen op dezelfde wijze, en laat het dreigen achterwege. Want gij weet, dat hùn en ùw meester in de hemel is, en dat bij Hem geen aanzien van personen bestaat.
9O komail jaumaj akan en wia dueta on irail, o der jakone irail, pwe komail aja, me arail o pil omail Jaumaj kotikot nanlan, o a jota kotin lipilipil aramaj amen.
10Ten slotte! Weest sterk in den Heer en in zijn sterke kracht!
10Ikmuri ri ai kan komail kelaileki Kaun o ni a manaman.
11Legt aan de wapenrusting Gods, om stand te kunnen houden tegen de listen des duivels.
11Purion tatan mauin karoj en Kot, pwe komail en kak kelail palian tewil a widiwidin kan.
12Want niet tegen vlees en bloed geldt onze strijd, maar tegen heerschappijen en machten, tegen wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de lucht.
12Pwe kaidin uduk o nta, me kitail en pei on, a on jaupeidi o manaman akan, o on jaumaj en jappa kan, me kin kakaunda nan rotorot wet, o on kaun nenin en lan akan.
13Grijpt daarom naar de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden op de boze dag, en pal te blijven staan, na alles te hebben volbracht.
13Ari, pweki mepukat komail en ale tatan mauin karoj en Kot, pwe komail en kak kelail ni ran jued, o kajinenda murin omail kapwaiadar meakaroj.
14Op dan! Uw lenden omgord met de waarheid, en het pantser der gerechtigheid om;
14Komail ari kajinenda, luke pamail en katenetenki melel o pereki pere pan maramara me pun.
15de voeten geschoeid met bereidwilligheid voor de blijde Boodschap van vrede;
15O na omail en kitekit pena, pwen onop on wa jili ronamau en popol.
16het schild des geloofs steeds voor u uit, om al de vurige pijlen van den Boze te kunnen smoren;
16A pil eu pan ko on mepukat: Komail ale perepa en pojon, pwen kakun kila katieu kijiniai en me jued o.
17grijpt naar de helm van het heil en het zwaard van den Geest: en dit is het woord van God.
17Komail pil ale lijorop en kamaur o kodlaj en Nen, me majan en Kot.
18Blijft bidden in den Geest ten allen tijde met gebed en smeking in allerlei vorm; draagt daarbij zorg, om ook met grote volharding voor alle heiligen te blijven bidden.
18O podidi on kapakap o wia poekipoeki. Nidinidiki Nen ni meakaroj. O majamajan, o poden kapakapaki jaraui kan karoj.
19Bidt ook voor mij, dat mij het rechte woord gegeven wordt, wanneer ik mijn mond ga openen, om vrijmoedig het geheim van het evangelie te verkondigen;
19O kapakapa kin ia, pwe i en nil meledok o au ai en jar a pajan ai ainar en kaweweda me rir en ronamau.
20daarvoor ben ik een gezant in boeien! Bidt, dat ik vrijmoedig daarover blijf spreken, zoals het mijn plicht is.
20Me nai jaunpadakepa, me jalidier, pwe i en kelail on padapadaki, duen me kon on.
21Túchicus, de geliefde broeder en trouwe dienaar in den Heer, zal u volledig inlichten, hoe het mij gaat en wat ik doe, opdat ook gij goed op de hoogte zult blijven.
21A pwe komail en aja ir ai kan, o me i kin wiada, ri atail kompok Tikikuj o papa lelapok en Kaun o, pan padaki on komail meakaroj.
22Daarom juist zend ik hem naar u toe, opdat gij alles over ons te weten zoudt komen, en hij uw harten bemoedigen mag.
22I me i kadarala, pwe komail en ajadar ir at akan, o pwe i en kamait monion omail.
23Vrede, liefde en geloof aan de broeders, van God den Vader en van den Heer Jesus Christus.
23Popol on ri atail, o limpok ianaki pojon jan ren Kot Jam o Kaun Iejuj Krijtuj!
24De genade zij met allen, die een onverwoestbare liefde toedragen aan Jesus Christus onzen Heer.
24Mak en mimi ren karoj, me kin pok on atail Kaun Iejuj Krijtuj kokolata!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.