Deuteronomium 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Old Persian Version (ترجمه قدیم)
1Moses riep heel Israël bijeen, en sprak tot hen: Israël, hoor de bepalingen en voorschriften, die ik u heden verkondig; ge moet ze leren en ze nauwgezet onderhouden!
1و موسی تمامی بنیاسرائیل را خوانده، به ایشان گفت: ای اسرائیل فرایض و احکامی را که من امروز به گوش شما میگویم بشنوید، تاآنها را یاد گرفته، متوجه باشید که آنها را بجاآورید.
2Jahweh, onze God, heeft op de Horeb met ons een Verbond gesloten.
2یهوه خدای ما با ما در حوریب عهدبست.
3Niet met onze vaderen heeft Jahweh dat Verbond aangegaan, maar met ons; met ons allen, die thans hier nog in leven zijn.
3خداوند این عهد را با پدران ما نبست، بلکه با ما که جمیع امروز در اینجا زنده هستیم.
4Van aanschijn tot aanschijn en midden uit het vuur heeft Jahweh op de berg tot u gesproken:
4خداوند در کوه از میان آتش با شما روبرومتکلم شد.
5ik stond toen slechts tussen Jahweh en u, om u het woord van Jahweh over te brengen, omdat gij bevreesd waart voor het vuur, en de berg niet hadt durven bestijgen. Toen sprak Hij:
5(من در آن وقت میان خداوند و شماایستاده بودم، تا کلام خداوند را برای شما بیان کنم، زیرا که شما بهسبب آتش میترسیدید و به فراز کوه برنیامدید) و گفت:
6Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte heb geleid, uit het slavenhuis.
6«من هستم یهوه، خدای تو، که تو را از زمین مصر از خانه بندگی بیرون آوردم.
7Gij zult geen andere goden hebben dan Mij.
7تو را به حضور من خدایان دیگر نباشند.
8Gij zult u geen afgodsbeeld maken, geen gestalte van iets aan de hemel daarboven, op de aarde beneden of in het water, dat onder de aarde is.
8«به جهت خود صورت تراشیده یا هیچ تمثالی از آنچه بالا در آسمان، یا از آنچه پایین درزمین، یا از آنچه در آبهای زیر زمین است مساز.
9Gij moogt ze aanbidden noch dienen; want Ik Jahweh, uw God, ben een naijverige God, die de zonden der vaderen wreekt op de kinderen en op het derde en vierde geslacht van hen, die Mij haten,
9آنها را سجده و عبادت منما. زیرا من که یهوه خدای تو هستم، خدای غیورم، و گناه پدران را برپسران تا پشت سوم و چهارم از آنانی که مرادشمن دارند، میرسانم.
10maar die genade bewijst aan het duizendste geslacht van die Mij beminnen en mijn geboden onderhouden.
10و رحمت میکنم تاهزار پشت برآنانی که مرا دوست دارند و احکام مرا نگاه دارند.
11Gij zult de naam van Jahweh, uw God, niet ijdel gebruiken; want Jahweh laat niet ongestraft, die zijn naam ijdel gebruikt.
11«نام یهوه خدای خود را به باطل مبر، زیراخداوند کسی را که نام او را به باطل برد، بیگناه نخواهد شمرد.
12Onderhoud de sabbatdag en heilig hem, zoals Jahweh, uw God, u bevolen heeft.
12«روز سبت را نگاه دار و آن را تقدیس نما، چنانکه یهوه خدایت به تو امر فرموده است.
13Zes dagen moogt ge werken en al uw arbeid verrichten;
13شش روز مشغول باش و هرکار خود را بکن.
14maar de zevende dag is een sabbat ter ere van Jahweh, uw God, dan moogt gij, noch uw zoon of uw dochter, noch uw slaaf of slavin, noch uw rund, uw ezel of een van uw beesten, noch de vreemdeling binnen uw poorten enige arbeid verrichten, opdat uw slaaf en slavin kunnen rusten, zoals gijzelf.
14اما روز هفتمین سبت یهوه خدای توست، درآن هیچکاری مکن، تو و پسرت و دخترت وغلامت و کنیزت و گاوت و الاغت و همه بهایمت و مهمانت که در اندرون دروازه های تو باشد، تاغلامت و کنیزت مثل تو آرام گیرند.
15Denk er aan, dat gij zelf slaaf zijt geweest in het land van Egypte, dat Jahweh, uw God, u daar vandaan heeft geleid met sterke hand en gespierde arm, en Jahweh, uw God, u daarom bevolen heeft de sabbatdag te onderhouden.
15و بیاد آورکه در زمین مصر غلام بودی، و یهوه خدایت تو رابهدست قوی و بازوی دراز از آنجا بیرون آورد، بنابراین یهوه، خدایت، تو را امر فرموده است که روز سبت را نگاه داری.
16Eer uw vader en uw moeder, zoals Jahweh, uw God, u bevolen heeft, opdat gij lang moogt blijven leven, en het u goed moge gaan in het land, dat Jahweh, uw God, u zal schenken.
16«پدر و مادر خود را حرمت دار، چنانکه یهوه خدایت تو را امر فرموده است، تا روزهایت دراز شود و تو را در زمینی که یهوه خدایت به تومی بخشد، نیکویی باشد.
17Gij zult niet doden.
17«قتل مکن.
18Gij zult geen overspel doen.
18و زنا مکن.
19Gij zult niet stelen.
19و دزدی مکن.
20Gij zult tegen uw naaste geen valse getuigenis afleggen.
20و بر همسایه خود شهادت دروغ مده.
21Gij zult de vrouw van uw naaste niet begeren. Gij zult het huis van uw naaste niet verlangen, noch zijn akker, noch zijn slaaf of slavin, noch zijn os of zijn ezel, noch iets wat uw naaste behoort.
21وبرزن هسمایه ات طمع مورز، و به خانه همسایه ات و به مزرعه او و به غلامش و کنیزش وگاوش و الاغش و به هرچه از آن همسایه توباشد، طمع مکن.»
22Tot heel uw gemeente heeft Jahweh op de berg midden uit het vuur en de donkere wolk met machtige stem deze woorden gesproken. Hij voegde daar verder niets aan toe, maar schreef ze op twee stenen tafelen neer, die Hij mij gaf.
22این سخنان را خداوند به تمامی جماعت شما در کوه از میان آتش و ابر و ظلمت غلیظ به آواز بلند گفت، و بر آنها چیزی نیفزود و آنها را بردو لوح سنگ نوشته، به من داد.
23Want toen gij de stem uit het donker en van de vlammende berg hadt gehoord, zijt gij met al uw stamhoofden en oudsten op mij toegetreden,
23و چون شما آن آواز را از میان تاریکی شنیدید، و کوه به آتش میسوخت، شما با جمیع روسای اسباط ومشایخ خود نزد من آمده،
24en hebt gezegd: Zie, Jahweh, onze God, heeft ons zijn glorie en grootheid getoond, en wij hebben zijn stem gehoord uit het vuur! Zeker, wij hebben heden gezien, dat een mens in leven kan blijven, ook als God met hem spreekt.
24گفتید: اینک یهوه، خدای ما، جلال و عظمت خود را بر ما ظاهرکرده است، و آواز او را از میان آتش شنیدیم، پس امروز دیدیم که خدا با انسان سخن میگوید وزنده است.
25Waarom zouden wij dan ten slotte toch sterven? Want dit machtige vuur zal ons verteren; zo wij nog langer de stem van Jahweh, onzen God, moeten horen, zullen wij sterven.
25و اما الان چرا بمیریم زیرا که این آتش عظیم ما را خواهد سوخت، اگر آواز یهوه خدای خود را دیگر بشنویم، خواهیم مرد.
26Want welk schepsel, dat, zoals wij, de stem van een levenden God heeft gehoord, die spreekt uit het vuur, kan in leven blijven?
26زیرا از تمامی بشر کیست که مثل ما آوازخدای حی را که از میان آتش سخن گوید، بشنودو زنده ماند؟
27Treed gij naderbij en luister naar al wat Jahweh, onze God, heeft te zeggen; deel gij ons dan mee al wat Jahweh, onze God, tot u spreekt, en wij zullen het gehoorzaam volbrengen.
27تو نزدیک برو و هرآنچه یهوه خدای ما بگوید، بشنو و هرآنچه یهوه خدای مابه تو بگوید برای ما بیان کن، پس خواهیم شنید وبه عمل خواهیم آورد.
28Jahweh hoorde, wat gij tot mij hadt gezegd, en Hij sprak tot mij: Ik heb gehoord wat dit volk tot u heeft gesproken. Hoe voortreffelijk hebben zij dit alles gezegd!
28و خداوند آواز سخنان شما را که به من گفتید شنید، و خداوند مرا گفت: «آواز سخنان این قوم را که به تو گفتند، شنیدم؛ هرچه گفتندنیکو گفتند.
29O, mochten zij toch altijd die gezindheid bewaren, altijd Mij vrezen en mijn geboden onderhouden, opdat het hun en hun kinderen eeuwig goed moge gaan!
29کاش که دلی را مثل این داشتند تااز من میترسیدند، و تمامی اوامر مرا در هر وقت بجا میآوردند، تا ایشان را و فرزندان ایشان را تابه ابد نیکو باشد.
30Ga dus, en zeg hun: Keert terug naar uw tenten.
30برو و ایشان را بگو به خیمه های خود برگردید.
31Maar blijf gij hier bij Mij; dan zal Ik u al de geboden, bepalingen en voorschriften verkondigen, waarin Gij hen moet onderrichten, en die zij moeten volbrengen in het land, dat Ik hun in bezit zal geven.
31و اما تو در اینجاپیش من بایست، تا جمیع اوامر و فرایض واحکامی را که میباید به ایشان تعلیم دهی به توبگویم، و آنها را در زمینی که من به ایشان میدهم تا در آن تصرف نمایید، بجا آورند.»
32Volbrengt dus alles zorgvuldig, wat Jahweh, uw God, u bevolen heeft, en wijkt er noch ter rechter, noch ter linker zijde van af.
32«پس توجه نمایید تا آنچه یهوه، خدای شما، به شما امر فرموده است، به عمل آورید، وبه راست و چپ انحراف منمایید.
33Bewandelt alle wegen, die Jahweh, uw God, u heeft aangewezen, opdat gij moogt leven, het u goed moge gaan, en gij lang het land moogt bewonen, dat gij in bezit gaat nemen.
33در تمامی آن طریقی که یهوه، خدای شما، به شما امرفرموده است، سلوک نمایید، تا برای شما نیکوباشد و ایام خود را در زمینی که به تصرف خواهیدآورد، طویل نمایید.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.