Tobiæ
Chapter 6
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Tobiæ 6

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Profectus est autem Tobias, et canis secutus est eum, et mansit prima mansione juxta fluvium Tigris.
1Intussen trok Tobias verder, gevolgd door zijn hond; de eerste rust hield hij aan de rivier de Tigris.
2Et exivit ut lavaret pedes suos, et ecce piscis immanis exivit ad devorandum eum.
2Toen hij daar zijn voeten ging wassen, schoot er plotseling een grote vis naar voren, die hem in zijn voet wilde happen.
3Quem expavescens Tobias clamavit voce magna, dicens: Domine, invadit me.
3Geheel van streek schreeuwde Tobias het uit: Heer, hij valt mij aan.
4Et dixit ei angelus: Apprehende branchiam ejus, et trahe eum ad te. Quod cum fecisset, attraxit eum in siccum, et palpitare cœpit ante pedes ejus.
4Maar de engel sprak: Grijp hem bij de kieuwen, en trek hem naar u toe. Hij deed het en trok hem op het droge, waar hij lag te spartelen aan zijn voeten.
5Tunc dixit ei angelus: Exentera hunc piscem, et cor ejus, et fel, et jecur repone tibi: sunt enim hæc necessaria ad medicamenta utiliter.
5Toen sprak de engel: Haal de ingewanden uit die vis en leg het hart, de gal en de lever ter zijde; want die kunnen goede diensten bewijzen als geneesmiddel.
6Quod cum fecisset, assavit carnes ejus, et secum tulerunt in via: cetera salierunt, quæ sufficerent eis, quousque pervenirent in Rages civitatem Medorum.
6Toen hij dit had gedaan, bakten zij de vis en aten er van. Op weg naar Ekbátana, de stad der Meden,
7Tunc interrogavit Tobias angelum, et dixit ei: Obsecro te, Azaria frater, ut dicas mihi quod remedium habebunt ista, quæ de pisce servare jussisti?
7stelde Tobias den engel de vraag: Azarias, mijn broeder, zeg mij toch eens, wat er voor geneeskracht ligt in de dingen, die gij mij van de vis laat bewaren?
8Et respondens angelus, dixit ei: Cordis ejus particulam si super carbones ponas, fumus ejus extricat omne genus dæmoniorum sive a viro, sive a muliere, ita ut ultra non accedat ad eos.
8De engel antwoordde: Als gij een stukje van hart en lever op kolen legt, verdrijft de rook daarvan bij mannen of bij vrouwen alle mogelijke boze geesten, zodat ze nooit meer bij hen terugkomen.
9Et fel valet ad ungendos oculos in quibus fuerit albugo, et sanabuntur.
9En de gal dient om er de ogen mee te bestrijken, die witte vlekken vertonen, en ze daarmee te genezen.
10Et dixit ei Tobias: Ubi vis ut maneamus?
10Toen zij eindelijk Ekbtana naderden, sprak Tobias tot den engel: Waar wilt gij, dat wij onze intrek nemen?
11Respondensque angelus, ait: Est hic Raguel nomine, vir propinquus de tribu tua, et hic habet filiam nomine Saram, sed neque masculum neque feminam ullam habet aliam præter eam.
11Hij antwoordde: Hier woont een zekere Raguël, die tot uw stam behoort en zelfs een bloedverwant van u is. Hij heeft een dochter, die Sara heet; er is geen zoon en ook geen andere dochter dan deze.
12Tibi debetur omnis substantia ejus, et oportet eam te accipere conjugem.
12Gij hebt dus recht op geheel zijn bezit; maar dan moet ge met haar trouwen.
13Pete ergo eam a patre ejus, et dabit tibi eam in uxorem.
13Vraag haar dus aan haar vader; hij geeft u haar zeker tot vrouw.
14Tunc respondit Tobias, et dixit: Audio quia tradita est septem viris, et mortui sunt: sed et hoc audivi, quia dæmonium occidit illos.
14Maar Tobias bracht er tegen in: Ik heb horen zeggen, dat zij al aan zeven mannen is uitgehuwd, en dat die allen gestorven zijn; ik heb zelfs gehoord, dat een boze geest ze heeft gedood.
15Timeo ergo, ne forte et mihi hæc eveniant: et cum sim unicus parentibus meis, deponam senectutem illorum cum tristitia ad inferos.
15Daarom ben ik bang, dat ook mij zo iets overkomt; want ik ben het enige kind van mijn ouders, en zou dan de schuld zijn, dat die oude mensen van verdriet naar het dodenrijk gaan.
16Tunc angelus Raphaël dixit ei: Audi me, et ostendam tibi qui sunt, quibus prævalere potest dæmonium.
16Toen sprak de engel Rafaël tot hem: Luister eens naar me; ik zal u uitleggen, over wie de duivel macht kan hebben.
17Hi namque qui conjugium ita suscipiunt, ut Deum a se et a sua mente excludant, et suæ libidini ita vacent sicut equus et mulus quibus non est intellectus: habet potestatem dæmonium super eos.
17De boze geest heeft macht over hen, die zó het huwelijksleven beginnen, dat zij God buiten hun hart en hun geest verbannen, en enkel zinnelust zoeken als een paard of een muilezel, zonder verstand,
18Tu autem cum acceperis eam, ingressus cubiculum, per tres dies continens esto ab ea, et nihil aliud nisi orationibus vacabis cum ea.
18maar als gij met haar trouwt en haar kamer betreedt, moet gij u drie dagen lang haar ontzeggen en slechts met haar bidden.
19Ipsa autem nocte, incenso jecore piscis, fugabitur dæmonium.
19In de eerste nacht zal de boze geest op de vlucht gaan, als de lever van de vis wordt verbrand.
20Secunda vero nocte in copulatione sanctorum patriarcharum admitteris.
20In de tweede nacht zult gij worden toegelaten tot de gemeenschap der heilige aartsvaders.
21Tertia autem nocte, benedictionem consequeris, ut filii ex vobis procreentur incolumes.
21En in de derde nacht zult gij de zegen ontvangen, dat gij flinke kinderen ter wereld brengt.
22Transacta autem tertia nocte, accipies virginem cum timore Domini, amore filiorum magis quam libidine ductus, ut in semine Abrahæ benedictionem in filiis consequaris.
22Eerst als de derde nacht voorbij is, moogt ge het meisje bezitten in de vreze des Heren, meer gedreven door verlangen naar kroost, dan door genot van de zinnen; dan zult gij in het geslacht van Abraham gezegend worden in uw kinderen.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.