Tobiæ 4
Clementine Vulgate, 1598Translation
Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Igitur cum Tobias putaret orationem suam exaudiri ut mori potuisset, vocavit ad se Tobiam filium suum,
1Daar Tobit meende, dat zijn gebed was verhoord en hij dus ging sterven, riep hij zijn zoon Tobias bij zich,
2dixitque ei: Audi, fili mi, verba oris mei, et ea in corde tuo quasi fundamentum construe.
2en sprak tot hem: Mijn zoon, luister naar de woorden van mijn mond, en leg ze als een fundament in uw hart.
3Cum acceperit Deus animam meam, corpus meum sepeli: et honorem habebis matri tuæ omnibus diebus vitæ ejus:
3Wanneer God mijn ziel tot Zich neemt, begraaf dan mijn lichaam, en houd uw moeder in ere al de dagen van uw leven;
4memor enim esse debes, quæ et quanta pericula passa sit propter te in utero suo.
4want gij moet er aan blijven denken, welke vele gevaren zij voor u heeft doorstaan, toen zij u droeg.
5Cum autem et ipsa compleverit tempus vitæ suæ, sepelias eam circa me.
5En wanneer ook zij haar levensloop heeft voltooid, begraaf haar dan naast mij.
6Omnibus autem diebus vitæ tuæ in mente habeto Deum: et cave ne aliquando peccato consentias, et prætermittas præcepta Domini Dei nostri.
6Houd verder iedere dag van uw leven God voor de geest, en wacht u er voor, ooit toe te stemmen in de zonde, en de geboden van den Heer, onzen God, te overtreden.
7Ex substantia tua fac eleemosynam, et noli avertere faciem tuam ab ullo paupere: ita enim fiet ut nec a te avertatur facies Domini.
7Deel aalmoezen uit van hetgeen ge bezit, en wend u nooit van een arme af; want dan wendt ook de Heer zijn aangezicht niet af van u.
8Quomodo potueris, ita esto misericors.
8Zoveel gij kunt, moet gij barmhartigheid betonen.
9Si multum tibi fuerit, abundanter tribue: si exiguum tibi fuerit, etiam exiguum libenter impertiri stude.
9Hebt gij veel, geef dan overvloedig; hebt gij maar weinig, zorg er dan voor, ook van dat weinige gaarne iets weg te schenken.
10Præmium enim bonum tibi thesaurizas in die necessitatis:
10Want daardoor legt gij een heerlijke schat voor u weg voor de dag van nood;
11quoniam eleemosyna ab omni peccato et a morte liberat, et non patietur animam ire in tenebras.
11want de aalmoes bevrijdt van alle zonden en van de dood, en duldt niet, dat iemand de duisternis ingaat.
12Fiducia magna erit coram summo Deo, eleemosyna omnibus facientibus eam.
12Zo is de aalmoes voor ieder, die ze uitreikt, een waardevol onderpand bij den allerhoogsten God.
13Attende tibi, fili mi, ab omni fornicatione, et præter uxorem tuam numquam patiaris crimen scire.
13Mijn zoon, wacht u voor alle ontucht, en zorg er voor, nooit een misstap te begaan met een andere vrouw.
14Superbiam numquam in tuo sensu aut in tuo verbo dominari permittas: in ipsa enim initium sumpsit omnis perditio.
14Laat nooit de hoogmoed heersen in uw hart of uw woord; want alle bederf vond daarin zijn oorsprong.
15Quicumque tibi aliquid operatus fuerit, statim ei mercedem restitue, et merces mercenarii tui apud te omnino non remaneat.
15Als iemand voor u enig werk heeft verricht, geef hem dan onmiddellijk zijn loon, en houd het loon van uw dienstknecht geen ogenblik achter.
16Quod ab alio oderis fieri tibi, vide ne tu aliquando alteri facias.
16Wat gij niet wilt, dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.
17Panem tuum cum esurientibus et egenis comede, et de vestimentis tuis nudos tege.
17Deel uw brood met hen, die hongerig en behoeftig zijn, en dek met uw kleding den naakte.
18Panem tuum et vinum tuum super sepulturam justi constitue, et noli ex eo manducare et bibere cum peccatoribus.
18Schenk uw brood en uw wijn voor de begrafenis van een rechtvaardige, maar eet of drink er niet van met zondaars.
19Consilium semper a sapiente perquire.
19Win altijd de raad in van verstandige mensen.
20Omni tempore benedic Deum: et pete ab eo ut vias tuas dirigat, et omnia consilia tua in ipso permaneant.
20Zegen God ten allen tijde, en vraag Hem, dat Hij uw wegen mag leiden, en al uw plannen doet slagen.
21Indico etiam tibi, fili mi, dedisse me decem talenta argenti, dum adhuc infantulus esses, Gabelo, in Rages civitate Medorum, et chirographum ejus apud me habeo:
21Mijn zoon, ik heb u ook dit nog mee te delen: toen gij nog een kind waart, heb ik tien talenten zilver in bewaring gegeven aan Gabaël, in Rages, de stad der Meden, en zijn ontvangbewijs heb ik hier.
22et ideo perquire quomodo ad eum pervenias, et recipias ab eo supra memoratum pondus argenti, et restituas ei chirographum suum.
22Denk er daarom eens over na, hoe gij hem kunt bereiken, om de genoemde som van hem in ontvangst te nemen en hem zijn bewijs terug te geven.
23Noli timere, fili mi: pauperem quidem vitam gerimus, sed multa bona habebimus si timuerimus Deum, et recesserimus ab omni peccato, et fecerimus bene.
23Wees overigens niet bevreesd, mijn zoon; al zouden wij ook arm blijven, toch zullen we vele goederen bezitten, als wij God vrezen, iedere zonde vermijden, en het goede doen!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.