Tobiæ
Chapter 3
Clementine Vulgate, 1598
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Tobiæ 3

Clementine Vulgate, 1598
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Tunc Tobias ingemuit, et cœpit orare cum lacrimis,
1Toen begon Tobit te zuchten en onder tranen te bidden:
2dicens: [Justus es, Domine, et omnia judicia tua justa sunt, et omnes viæ tuæ, misericordia, et veritas, et judicium.
2Gij zijt rechtvaardig, o Heer, en rechtvaardig is geheel uw gericht; al uw wegen zijn barmhartigheid, waarheid en recht.
3Et nunc Domine, memor esto mei, et ne vindictam sumas de peccatis meis, neque reminiscaris delicta mea, vel parentum meorum.
3Wees dus mijner gedachtig, o Heer, neem geen wraak over mijn zonden, en wil mijn overtredingen en die van mijn vaderen niet meer gedenken.
4Quoniam non obedivimus præceptis tuis, ideo traditi sumus in direptionem, et captivitatem, et mortem, et in fabulam, et in improperium omnibus nationibus in quibus dispersisti nos.
4Omdat wij niet gehoorzaamd hebben aan uw geboden, daarom werden wij overgeleverd aan plundering, verbanning en dood, aan bespotting en hoon voor alle volkeren, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
5Et nunc Domine, magna judicia tua, quia non egimus secundum præcepta tua, et non ambulavimus sinceriter coram te.
5Ja, Heer; zwaar zijn uw straffen, omdat wij niet geleefd hebben naar uw geboden en niet in oprechtheid voor uw ogen hebben gewandeld.
6Et nunc Domine, secundum voluntatem tuam fac mecum, et præcipe in pace recipi spiritum meum: expedit enim mihi mori magis quam vivere.]
6Welnu dan, Heer; doe met mij wat Gij wilt, maar laat mijn geest opgenomen worden in vrede; want sterven is mij liever dan leven.
7Eadem itaque die, contigit ut Sara filia Raguelis in Rages civitate Medorum et ipsa audiret improperium ab una ex ancillis patris sui,
7Nu gebeurde het dezelfde dag, dat Sara, de dochter van Raguël in Ekbátana, de stad der Meden, eveneens verwijten moest horen van één der dienstmeisjes van haar vader.
8quoniam tradita fuerat septem viris, et dæmonium nomine Asmodæus occiderat eos, mox ut ingressi fuissent ad eam.
8Want zij was aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest, Asmodéus genaamd had hen gedood, zodra zij bij haar waren binnengekomen.
9Ergo cum pro culpa sua increparet puellam, respondit ei, dicens: Amplius ex te non videamus filium aut filiam super terram, interfectrix virorum tuorum.
9Toen zij nu dat meisje berispte over een fout van haar gaf het haar ten antwoord: Ik hoop, dat we van u nooit een zoon of een dochter te zien krijgen op aarde, moordenares van uw mannen.
10Numquid et occidere me vis, sicut jam occidisti septem viros? Ad hanc vocem perrexit in superius cubiculum domus suæ: et tribus diebus, et tribus noctibus non manducavit, neque bibit:
10Of wilt ge ook mij soms vermoorden, zoals ge reeds zeven mannen vermoord hebt? Op dat gezegde ging zij naar het bovenvertrek van haar huis en gebruikte drie dagen geen eten of drinken,
11sed in oratione persistens cum lacrimis deprecabatur Deum, ut ab isto improperio liberaret eam.
11maar bleef volharden in gebed en smeekte God onder tranen, haar van die smaad te bevrijden.
12Factum est autem die tertia, dum compleret orationem, benedicens Dominum
12Toen zij op de derde dag haar gebed beëindigde, loofde zij den Heer,
13dixit: Benedictum est nomen tuum, Deus patrum nostrorum: qui cum iratus fueris, misericordiam facies, et in tempore tribulationis peccata dimittis his qui invocant te.
13en sprak: Gezegend is uw Naam, o God onzer vaderen, Gij, d ie weer barmhartigheid toont, als uw toorn is bevredigd, en in dagen van lijden de zonden vergeeft aan hen, die U aanroepen.
14Ad te, Domine, faciem meam converto; ad te oculos meos dirigo.
14Tot U wend ik mijn aangezicht, Heer, op U richt ik mijn ogen.
15Peto, Domine, ut de vinculo improperii hujus absolvas me, aut certe desuper terram eripias me.
15Ik bid U, Heer, mij uit de boeien dezer schande te bevrijden, of anders mij weg te nemen van de aarde.
16Tu scis, Domine, quia numquam concupivi virum, et mundam servavi animam meam ab omni concupiscentia.
16Gij weet, Heer, dat ik nooit een man heb begeerd, en mijn ziel rein heb bewaard van iedere lust.
17Numquam cum ludentibus miscui me, neque cum his qui in levitate ambulant, participem me præbui.
17Nooit heb ik aan uitspattingen meegedaan en nooit omgang gezocht met lichtzinnige mensen.
18Virum autem cum timore tuo, non cum libidine mea, consensi suscipere.
18Ik heb slechts een man willen nemen in vreze voor U, en niet om mijn hartstocht te volgen.
19Et, aut ego indigna fui illis, aut illi forsitan me non fuerunt digni, quia forsitan viro alii conservasti me.
19Maar òfwel ik was hunner niet waardig, of zij waren wellicht mijner niet waardig, omdat Gij mij misschien voor een anderen man hebt bestemd.
20Non est enim in hominis potestate consilium tuum.
20Want uw raadsbesluit kan niemand doorgronden.
21Hoc autem pro certo habet omnis qui te colit: quod vita ejus, si in probatione fuerit, coronabitur; si autem in tribulatione fuerit, liberabitur; et si in correptione fuerit, ad misericordiam tuam venire licebit.
21Doch hiervan is ieder, die U eert, overtuigd: als hij in zijn leven beproefd wordt, zal hij worden gekroond; als hij in kwelling mocht zijn, zal hij worden bevrijd; en als hij straf ondergaat, zal hij de weg naar uw barmhartigheid vinden.
22Non enim delectaris in perditionibus nostris: quia post tempestatem tranquillum facis, et post lacrimationem et fletum, exultationem infundis.
22Want Gij vindt geen behagen in ons verderf; maar na de storm geeft Gij rust, en na wenen en schreien weer blijdschap.
23Sit nomen tuum, Deus Israël, benedictum in sæcula.
23God van Israël, uw Naam zij gezegend voor eeuwig!
24In illo tempore exauditæ sunt preces amborum in conspectu gloriæ summi Dei:
24En hun beider gebed vond gelijktijdig verhoring bij de Majesteit van den allerhoogsten God. Rafaël, de heilige engel des Heren, werd gezonden, om hen beiden te genezen, wier gebed terzelfder tijd voor het aanschijn des Heren was uitgesproken.
25et missus est angelus Domini sanctus Raphaël ut curaret eos ambos, quorum uno tempore sunt orationes in conspectu Domini recitatæ.
no verse 25 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.