ΤΩΒΙΤ 3
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΚΑΙ λυπηθεὶς ἔκλαυσα καὶ προσευξάμην μετ᾿ ὀδύνης λέγων·
1Toen begon Tobit te zuchten en onder tranen te bidden:
2δίκαιος εἶ, Κύριε, καὶ πάντα τὰ ἔργα σου καὶ πᾶσαι αἱ ὁδοί σου ἐλεημοσύναι καὶ ἀλήθεια, καὶ κρίσιν ἀληθινὴν καὶ δικαίαν σὺ κρίνεις εἰς τὸν αἰῶνα.
2Gij zijt rechtvaardig, o Heer, en rechtvaardig is geheel uw gericht; al uw wegen zijn barmhartigheid, waarheid en recht.
3μνήσθητί μου καὶ ἐπίβλεψον ἐπ᾿ ἐμέ· μή με ἐκδικήσῃς ταῖς ἁμαρτίαις μου καὶ τοῖς ἀγνοήμασί μου καὶ τῶν πατέρων μου, ἃ ἥμαρτον ἐνώπιόν σου·
3Wees dus mijner gedachtig, o Heer, neem geen wraak over mijn zonden, en wil mijn overtredingen en die van mijn vaderen niet meer gedenken.
4παρήκουσαν γὰρ τῶν ἐντολῶν σου, καὶ ἔδωκας ἡμᾶς εἰς διαρπαγὴν καὶ αἰχμαλωσίαν καὶ θάνατον καὶ παραβολὴν ὀνειδισμοῦ πᾶσι τοῖς ἔθνεσιν, ἐν οἷς ἐσκορπίσμεθα.
4Omdat wij niet gehoorzaamd hebben aan uw geboden, daarom werden wij overgeleverd aan plundering, verbanning en dood, aan bespotting en hoon voor alle volkeren, waaronder Gij ons hebt verstrooid.
5καὶ νῦν πολλαὶ αἱ κρίσεις σού εἰσι καὶ ἀληθιναὶ ἐξ ἐμοῦ ποιῆσαι περὶ τῶν ἁμαρτιῶν μου καὶ τῶν πατέρων μου, ὅτι οὐκ ἐποιήσαμεν τὰς ἐντολάς σου· οὐ γὰρ ἐπορεύθημεν ἐν ἀληθείᾳ ἐνώπιόν σου.
5Ja, Heer; zwaar zijn uw straffen, omdat wij niet geleefd hebben naar uw geboden en niet in oprechtheid voor uw ogen hebben gewandeld.
6καὶ νῦν κατὰ τὸ ἀρεστὸν ἐνώπιόν σου ποίησον μετ᾿ ἐμοῦ· ἐπίταξον ἀναλαβεῖν τὸ πνεῦμά μου, ὅπως ἀπολυθῶ καὶ γένωμαι γῆ· διότι λυσιτελεῖ μοι ἀποθανεῖν ἢ ζῆν, ὅτι ὀνειδισμοὺς ψευδεῖς ἤκουσα, καὶ λύπη ἐστὶ πολλὴ ἐν ἐμοί· ἐπίταξον ἀπολυθῆναί με τῆς ἀνάγκης ἤδη εἰς τὸν αἰώνιον τόπον, μὴ ἀποστρέψῃς τὸ πρόσωπόν σου ἀπ ᾿ ἐμοῦ.
6Welnu dan, Heer; doe met mij wat Gij wilt, maar laat mijn geest opgenomen worden in vrede; want sterven is mij liever dan leven.
7Ἐν τῇ αὐτῇ ἡμέρᾳ συνέβη τῇ θυγατρὶ Ραγουὴλ Σάρρᾳ ἐν Ἐκβατάνοις τῆς Μηδίας καὶ ταύτην ὀνειδισθῆναι ὑπὸ παιδισκῶν πατρὸς αὐτῆς,
7Nu gebeurde het dezelfde dag, dat Sara, de dochter van Raguël in Ekbátana, de stad der Meden, eveneens verwijten moest horen van één der dienstmeisjes van haar vader.
8ὅτι ἦν δεδομένη ἀνδράσιν ἑπτά, καὶ Ἀσμοδαῖος τὸ πονηρὸν δαιμόνιον ἀπέκτεινεν αὐτοὺς πρὶν ἢ γενέσθαι αὐτοὺς μετ᾿ αὐτῆς ὡς ἐν γυναιξί. καὶ εἶπαν αὐτῇ· οὐ συνιεῖς ἀποπνίγουσά σου τοὺς ἄνδρας; ἤδη ἑπτὰ ἔσχες καὶ ἑνὸς αὐτῶν οὐκ ὠνομάσθης·
8Want zij was aan zeven mannen ten huwelijk gegeven, maar de boze geest, Asmodéus genaamd had hen gedood, zodra zij bij haar waren binnengekomen.
9τί ἡμᾶς μαστιγοῖς; εἰ ἀπέθαναν, βάδιζε μετ᾿ αὐτῶν· μὴ ἴδοιμέν σου υἱὸν ἢ θυγατέρα εἰς τὸν αἰῶνα.
9Toen zij nu dat meisje berispte over een fout van haar gaf het haar ten antwoord: Ik hoop, dat we van u nooit een zoon of een dochter te zien krijgen op aarde, moordenares van uw mannen.
10ταῦτα ἀκούσασα ἐλυπήθη σφόδρα ὥστε ἀπάγξασθαι. καὶ εἶπε· μία μέν εἰμι τῷ πατρί μου· ἐὰν ποιήσω τοῦτο, ὄνειδος αὐτῷ ἔσται, καὶ τὸ γῆρας αὐτοῦ κατάξω μετ᾿ ὀδύνης εἰς ᾅδου.
10Of wilt ge ook mij soms vermoorden, zoals ge reeds zeven mannen vermoord hebt? Op dat gezegde ging zij naar het bovenvertrek van haar huis en gebruikte drie dagen geen eten of drinken,
11καὶ ἐδεήθη πρὸς τῇ θυρίδι καὶ εἶπεν· εὐλογητὸς εἶ, Κύριε ὁ Θεός μου, καὶ εὐλογητὸν τὸ ὄνομά σου τὸ ἅγιον καὶ ἔντιμον εἰς τοὺς αἰῶνας· εὐλογήσαισάν σε πάντα τὰ ἔργα σου εἰς τὸν αἰῶνα.
11maar bleef volharden in gebed en smeekte God onder tranen, haar van die smaad te bevrijden.
12καὶ νῦν, Κύριε, τοὺς ὀφθαλμούς μου καὶ τὸ πρόσωπόν μου εἰς σὲ δέδωκα·
12Toen zij op de derde dag haar gebed beëindigde, loofde zij den Heer,
13εἰπὸν ἀπολῦσαί με ἀπὸ τῆς γῆς καὶ μὴ ἀκοῦσαί με μηκέτι ὀνειδισμόν.
13en sprak: Gezegend is uw Naam, o God onzer vaderen, Gij, d ie weer barmhartigheid toont, als uw toorn is bevredigd, en in dagen van lijden de zonden vergeeft aan hen, die U aanroepen.
14σὺ γινώσκεις, Κύριε, ὅτι καθαρά εἰμι ἀπὸ πάσης ἁμαρτίας ἀνδρὸς
14Tot U wend ik mijn aangezicht, Heer, op U richt ik mijn ogen.
15καὶ οὐκ ἐμόλυνα τὸ ὄνομά μου οὐδὲ τὸ ὄνομα τοῦ πατρός μου ἐν τῇ γῇ τῆς αἰχμαλωσίας μου. μονογενής εἰμι τῷ πατρί μου, καὶ οὐχ ὑπάρχει αὐτῷ παιδίον, ὃ κληρονομήσει αὐτόν, οὐδὲ ἀδελφὸς ἐγγὺς οὐδὲ ὑπάρχων αὐτῷ υἱός, ἵνα συντηρήσω ἐμαυτὴν αὐτῷ γυναῖκα. ἤδη ἀπώλοντό μοι ἑπτά· ἵνα τί μοι ζῆν; καὶ εἰ μὴ δοκεῖ σοι ἀποκτεῖναί με, ἐπίταξον ἐπιβλέψαι ἐπ᾿ ἐμὲ καὶ ἐλεῆσαί με καὶ μηκέτι ἀκοῦσαί με ὀνειδισμόν.
15Ik bid U, Heer, mij uit de boeien dezer schande te bevrijden, of anders mij weg te nemen van de aarde.
16Καὶ εἰσηκούσθη προσευχὴ ἀμφοτέρων ἐνώπιον τῆς δόξης τοῦ μεγάλου Ραφαήλ,
16Gij weet, Heer, dat ik nooit een man heb begeerd, en mijn ziel rein heb bewaard van iedere lust.
17καὶ ἀπεστάλη ἰάσασθαι τοὺς δύο, τοῦ Τωβὶτ λεπίσαι τὰ λευκώματα καὶ Σάρραν τὴν τοῦ Ραγουὴλ δοῦναι Τωβίᾳ τῷ υἱῷ Τωβὶτ γυναῖκα καὶ δῆσαι Ἀσμοδαῖον τὸ πονηρὸν δαιμόνιον, διότι Τωβίᾳ ἐπιβάλλει κληρονομῆσαι αὐτήν. ἐν αὐτῷ τῷ καιρῷ ἐπιστρέψας Τωβὶτ εἰσῆλθεν εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ καὶ Σάρρα ἡ τοῦ Ραγουὴλ κατέβη ἐκ τοῦ ὑπερῴου αὐτῆς.
17Nooit heb ik aan uitspattingen meegedaan en nooit omgang gezocht met lichtzinnige mensen.
no verse 18 in this text
18Ik heb slechts een man willen nemen in vreze voor U, en niet om mijn hartstocht te volgen.
no verse 19 in this text
19Maar òfwel ik was hunner niet waardig, of zij waren wellicht mijner niet waardig, omdat Gij mij misschien voor een anderen man hebt bestemd.
no verse 20 in this text
20Want uw raadsbesluit kan niemand doorgronden.
no verse 21 in this text
21Doch hiervan is ieder, die U eert, overtuigd: als hij in zijn leven beproefd wordt, zal hij worden gekroond; als hij in kwelling mocht zijn, zal hij worden bevrijd; en als hij straf ondergaat, zal hij de weg naar uw barmhartigheid vinden.
no verse 22 in this text
22Want Gij vindt geen behagen in ons verderf; maar na de storm geeft Gij rust, en na wenen en schreien weer blijdschap.
no verse 23 in this text
23God van Israël, uw Naam zij gezegend voor eeuwig!
no verse 24 in this text
24En hun beider gebed vond gelijktijdig verhoring bij de Majesteit van den allerhoogsten God. Rafaël, de heilige engel des Heren, werd gezonden, om hen beiden te genezen, wier gebed terzelfder tijd voor het aanschijn des Heren was uitgesproken.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.