ΤΩΒΙΤ 8
Septuagint (Greek Old Testament), second editionOriginal language
Septuagint (Greek Old Testament), second edition
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1ΟΤΕ δὲ συνετέλεσαν δειπνοῦντες, εἰσήγαγον Τωβίαν πρὸς αὐτήν.
1Na de maaltijd bracht men dus den jongeman bij haar binnen.
2ὁ δὲ πορευόμενος ἐμνήσθη τῶν λόγων Ραφαὴλ καὶ ἔλαβε τὴν τέφραν τῶν θυμιαμάτων καὶ ἐπέθηκε τὴν καρδίαν τοῦ ἰχθύος καὶ τὸ ἧπαρ καὶ ἐκάπνισεν.
2Maar de woorden van den engel indachtig, haalde Tobias uit zijn reiszak een stuk van het hart en van de lever te voorschijn, en legde dat op de gloeiende kolen.
3ὅτε δὲ ὠσφράνθη τὸ δαιμόνιον τῆς ὀσμῆς, ἔφυγεν εἰς τὰ ἀνώτατα Αἰγύπτου καὶ ἔδησεν αὐτὸ ὁ ἄγγελος.
3Toen greep de engel Rafaël den bozen geest, en bond hem vast in de woestijn van Boven-Egypte.
4ὡς δὲ συνεκλείσθησαν ἀμφότεροι, ἀνέστη Τωβίας ἀπὸ τῆς κλίνης καὶ εἶπεν· ἀνάστηθι, ἀδελφή, καὶ προσευξώμεθα, ἵνα ἐλεήσῃ ἡμᾶς ὁ Κύριος.
4Daarna richtte Tobias zich tot het meisje en sprak tot haar: Sara, sta op; wij moeten vandaag, morgen en overmorgen tot God blijven bidden. Deze drie nachten blijven we verbonden met God; eerst als de derde nacht voorbij is, zullen we ons huwelijksleven beginnen.
5καὶ ἤρξατο Τωβίας λέγειν· εὐλογητὸς εἶ, ὁ Θεὸς τῶν πατέρων ἡμῶν, καὶ εὐλογητὸν τὸ ὄνομά σου τὸ ἅγιον καὶ ἔνδοξον εἰς τοὺς αἰῶνας· εὐλογησάτωσάν σε οἱ οὐρανοὶ καὶ πᾶσαι αἱ κτίσεις σου.
5Wij zijn immers kinderen der heiligen, en kunnen dus het huwelijk niet beginnen als de heidenen, die God niet kennen.
6σὺ ἐποίησας Ἀδὰμ καὶ ἔδωκας αὐτῷ βοηθὸν Εὔαν στήριγμα τὴν γυναῖκα αὐτοῦ· ἐκ τούτων ἐγεννήθη τὸ ἀνθρώπων σπέρμα. σὺ εἶπας· οὐ καλὸν εἶναι τὸν ἄνθρωπον μόνον, ποιήσωμεν αὐτῷ βοηθὸν ὅμοιον αὐτῷ.
6Zij stonden dus beiden op en begonnen samen vurig te bidden, dat zij gespaard mochten blijven.
7καὶ νῦν, Κύριε, οὐ διά πορνείαν ἐγὼ λαμβάνω τὴν ἀδελφήν μου ταύτην, ἀλλὰ ἐπ᾿ ἀληθείας ἐπίταξον ἐλεῆσαί με καὶ αὐτῇ συγκαταγηρᾶσαι.
7En Tobias sprak: Heer, God van onze vaderen; dat hemel en aarde U loven, met de zee, de bronnen en de stromen, en met al uw schepselen, die er in wonen.
8καὶ εἶπε μετ᾿ αὐτοῦ· ἀμήν.
8Gij hebt Adam geschapen uit het stof van de aarde, en hem Eva toegewezen als een hulp.
9καὶ ἐκοιμήθησαν ἀμφότεροι τὴν νύκτα.
9Welnu dan Heer; Gij weet, dat ik niet uit wellust mijn zuster tot vrouw heb genomen, maar alleen uit verlangen naar kroost, opdat zij uw Naam mogen zegenen in de eeuwen der eeuwen.
10καὶ ἀναστὰς Ραγουὴλ ἐπορεύθη καὶ ὤρυξε τάφον λέγων· μὴ καὶ οὗτος ἀποθάνῃ;
10Ook Sara sprak: Ontferm U over ons, Heer, ontferm U onzer, en houd ons beiden samen gezond tot op onze oude dag.
11καὶ ἦλθε Ραγουὴλ εἰς τὴν οἰκίαν ἑαυτοῦ
11Tegen de tijd van het hanengekraai liet Raguël zijn knechten roepen, en dezen gingen met hem mee, om een graf te delven.
12καὶ εἶπεν Ἔδνᾳ τῇ γυναικὶ αὐτοῦ· ἀπόστειλον μίαν τῶν παιδισκῶν, καὶ ἰδέτωσαν εἰ ζῇ· εἰ δὲ μή, ἵνα θάψωμεν αὐτόν, καὶ μηδεὶς γνῷ.
12Want hij dacht: Er mocht hem toch eens hetzelfde overkomen zijn, als de zeven andere mannen, die bij haar zijn geweest.
13καὶ εἰσῆλθεν ἡ παιδίσκη ἀνοίξασα τὴν θύραν καὶ εὗρε τοὺς δύο καθεύδοντας.
13Toen zij het graf gereed hadden, ging Raguël terug naar zijn vrouw en zeide haar:
14καὶ ἐξελθοῦσα ἀπήγγειλεν αὐτοῖς, ὅτι ζῇ.
14Stuur een van uw dienstmeisjes naar binnen, om te zien, of hij dood is; dan kan ik hem nog begraven, vóórdat het dag wordt.
15καὶ εὐλόγησε Ραγουὴλ τὸν Θεὸν λέγων· εὐλογητὸς εἶ σύ, ὁ Θεός, ἐν πάσῃ εὐλογίᾳ καθαρᾷ καὶ ἁγίᾳ, καὶ εὐλογείτωσάν σε οἱ ἅγιοί σου καὶ πᾶσαι αἱ κτίσεις σου, καὶ πάντες οἱ ἄγγελοί σου καὶ οἱ ἐκλεκτοί σου εὐλογείτωσάν σε εἰς τοὺς αἰῶνας.
15Zij stuurde dus een van haar meisjes; deze ging de kamer binnen en vond ze gezond en wel, beiden in slaap.
16εὐλογητὸς εἶ ὅτι ηὔφρανάς με, καὶ οὐκ ἐγένετό μοι καθὼς ὑπενόουν, ἀλλὰ κατὰ τὸ πολὺ ἔλεός σου ἐποίησας μεθ᾿ ἡμῶν.
16Toen zij met dat blijde nieuws terugkwam, loofden Raguël en Anna, zijn vrouw, den Heer;
17εὐλογητὸς εἶ ὅτι ἠλέησας δύο μονογενεῖς· ποίησον αὐτοῖς, δέσποτα, ἔλεος, συντέλεσον τὴν ζωὴν αὐτῶν ἐν ὑγιείᾳ μετ᾿ εὐφροσύνης καὶ ἐλέους.
17en ze zeiden: Wij loven U, Heer, God van Israël, omdat er niet is gebeurd, wat wij vreesden.
18ἐκέλευσε δὲ τοῖς οἰκέταις χῶσαι τὸν τάφον.
18Neen, Gij hebt ons barmhartigheid bewezen, en ons van den vijand, die ons vervolgde, bevrijd.
19καὶ ἐποίησεν αὐτοῖς γάμον ἡμερῶν δεκατεσσάρων.
19Gij hebt medelijden gehad met deze twee, die beiden enig kind zijn. Geef dan, Heer, dat zij U nog meer mogen loven, en dankoffers brengen voor hun geluk, opdat heel de heidenwereld moge weten, dat Gij alleen God zijt over heel de aarde!
20καὶ εἶπεν αὐτῷ Ραγουὴλ πρὶν ἢ συντελεσθῆναι τὰς ἡμέρας τοῦ γάμου ἐνόρκως μὴ ἐξελθεῖν αὐτὸν ἐὰν μὴ πληρωθῶσιν αἱ δεκατέσσαρες ἡμέραι τοῦ γάμου.
20Onmiddellijk gaf Raguël nu aan zijn knechten bevel, om het graf, dat zij gedolven hadden, nog vóór het daglicht dicht te werpen.
21καὶ τότε λαβόντα τὸ ἥμισυ τῶν ὑπαρχόντων αὐτοῦ πορεύεσθαι μεθ᾿ ὑγιείας πρὸς τὸν πατέρα· καὶ τὰ λοιπά, ὅταν ἀποθάνω καὶ ἡ γυνή μου.
21Hij liet zijn vrouw een feestmaal klaar maken en alles in gereedheid brengen, wat er voor het eten nodig was.
no verse 22 in this text
22Ook liet hij twee vette koeien en vier rammen slachten, om een feestmaal te bereiden voor al zijn buren en vrienden.
no verse 23 in this text
23Toen drong Raguël er bij Tobias op aan, dat hij nog twee weken bij hem zou blijven.
no verse 24 in this text
24En de helft van alles, wat Raguël bezat, schonk hij aan Tobias, en gaf hem een schriftelijk bewijs, dat na hun dood ook de andere helft in het bezit van Tobias zou komen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.